Logo breed NGK Ichthuskerk 2024 - Rotterdam

NGK Rotterdam

15 april 2022 – Marcus 15 – Voorbijganger wordt volgeling

Marcus 15, 20b-23.

Votum & groet

Zingen:                GK 2006 Gezang 90: 1, 2/Ontsluit, o Heer, voor U ons hart

Gebed

Bijbellezing:        Marcus 15: 16-39                                                                                      

Zingen:                Psalm 69: 3, 5/Beschaam om mij het stil vertrouwen niet

Preek                    Marcus 15: 20b-23

Zingen:                 Lied 575: 1, 2, 6/Jezus, leven van ons leven

Belijdenis van het geloof

Zingen:                 Gezang 167/Machtig God, sterke rots

Gebed

Collecte

Zingen:                 GK 2006 Gezang 85: 1, 4/Weet jij waarom Jezus hier op aarde kwam

Zegen

1.        Wat er gebeurt is: Jezus is op weg naar zijn executie en Hij ontmoet een toevallige voorbijganger. Meestal, in een verhaal, vergelijk je jezelf met de hoofdpersoon. De hoofdpersoon hier is Jezus Christus. Maar omdat Hij ter dood veroordeeld is lijkt Hij niet zo geschikt om je mee te identificeren. Het kan wel, hoor. Dat je jezelf indenkt hoe het zou zijn om als Hem te zijn. Maar er is iets aan Jezus waardoor Hij je steeds weer ontsnapt. Aan de ene kant eindeloos lief, veel meer dan jij zou kunnen volhouden. Aan de andere kant eerlijk gezegd ook heel zelfbewust, alsof Hij zoveel meer is dan andere mensen. Al met al lijkt het aantrekkelijker om Hem maar te laten gaan. Hij is anders dan jij.

            Daarom is het zo mooi dat je vandaag het verhaal binnen kunt gaan via die toevallige voorbijganger. Eigenlijk is hij wat jij ook bent. Of je het lijdensverhaal van Jezus Christus nu uit je hoofd kent of dat het je grotendeels onbekend is, je bent en blijft een soort van toeschouwer, langs de kant van de weg. Met mensen om je heen die ook nieuwsgierig zijn, het geschreeuw van de soldaten die er in de verte aankomen, het gesleep van een zware balk over de stenen, huilende vrouwen. Vandaag zijn we allemaal toevallige voorbijgangers, en we worden via één van ons het verhaal ingezogen. Ik bedoel die ene, Simon van Cyrene.

2.        “Hallo, mag ik mij even voorstellen? Mijn naam is Simon en ik kom uit Cyrene. Cyrene is een stad in Noord-Afrika, in de landstreek Libië, onderdeel van het grote Romeinse Rijk. Sommige van mijn neven beklagen mij dat ik daar woon met mijn gezin. ‘Zo ver weg van Jeruzalem,’ zeggen ze dan, ‘zo ver in ballingschap.’ Zij zien het als een vloek dat zoveel van ons volk zo ver van Jeruzalem wonen. Ze hebben ook wel gelijk, want we wonen niet meer in het beloofde land. Maar het heeft natuurlijk ook zijn voordelen, dat wij overal in de bewoonde wereld thuis zijn. De handel tussen Afrika en Rome is goede business. Zo lang God de keizer in Rome met rust laat en zo lang de keizer van Rome ons met rust laat is het leven goed.

            “Maar vandaag ben ik in Jeruzalem. Het Pesachfeest, daar wilden we bij zijn. Dus zijn we naar Palestina gereisd, en hier zijn we dan. Gisteren hebben we als familie het paaslam gegeten, met de ongezuurde broden en de bittere kruiden – één grote herinnering aan ons ontsnappen uit Egypte. En morgen is het zover, dan worden in de tempel de duizenden offers gebracht, en het grote feest gevierd. Maar vandaag maak ik een ommetje, ik heb de stad van buiten af bekeken, en ben nu op weg naar de plaats waar ik logeer. Maar we kunnen niet verder, zie ik, want er moet een groep soldaten langs. Weet jij wat er aan de hand is?”

3.        Dat is Simon. Maar voorlopig blijft Simon een buitenstaander, een toevallige voorbijganger. Voorlopig hebben de soldaten de leiding. Die klotesoldaten. Ik weet het, dat mag ik niet zeggen op de preekstoel, maar zo is het wel. Of je nu voor of tegen Jezus Christus bent, of je nu wel in Hem gelooft of niet, het is een kwestie van fatsoen en het is een kwestie van universele rechten van de mens dat wij als voorbijgangers vinden dat dit niet kan. We zetten met Marcus even op een rijtje  wat ze zoals hadden uitgespookt. Hoe ze de spot met Hem hadden gedreven door Hem een purpergekleurde mantel om te doen. ‘Heil U, o onze koning!’ Maar aan de kroon die ze Hem hadden gegeven zag je hoe ze er werkelijk over dachten: een vlechtwerk van doorntakken, Hem tot bloedens op zijn hoofd geduwd.

            Toen sloegen ze Hem.

            Toen spuugden ze Hem.

            Toen spotten ze met Hem.

            En even later op de plaats van executie maken ze hun spot compleet door Hem met mirre vermengde wijn aan te bieden. Het punt is niet of deze drank opwekkend is of juist verdovend. Het punt is dat de soldaten een laatste grap uithalen: ‘Alstublieft, Sire, een drankje voor je!’ Dan merk je trouwens even hoe Jezus er zelf in staat. Wat Hem wordt aangedaan ondergaat Hij vrijwillig. Hij gaat het lijden niet uit de weg. Maar Hij werkt niet mee aan hun grappen. Daarvoor is het moment te ernstig. Daarvoor is zijn taak nu te heilig. Hij neemt de drank niet aan.

            Maar voordat ze de Schedelplaats hadden bereikt hadden ze Simon in hun soldatenlol betrokken. Het is duidelijk dat Marcus hier op een rijtje zet hoe de soldaten de Heer bespotten. Het is niet omreden van vermoeidheid van de Heer, dat ze Simon inschakelen. De Heer die straks in staat is gekruisigd en al met luide stem afscheid te nemen heeft kennelijk iets dat het Hem mogelijk maakt door te gaan. Nee, de soldaten vorderen een onderdaan voor hun nepkoning. Het is een belachelijke mobilisatie, met één rekruut. Maar meer heeft deze koning niet nodig, want z’n hele bezit bestaat uit z’n eigen guillotine, om zo te zeggen. En zo wordt Simon, de toevallige voorbijganger, het verhaal ingezogen.

4.        Maar hier zit wel een soort gat in het verhaal. Even vanuit het perspectief van Marcus: wat wil hij ons nu eigenlijk zeggen? En daarachter: even vanuit het perspectief van Pétrus: wat wil híj ons nu eigenlijk zeggen? Want jullie weten wel dat Marcus zeg maar de secretaris was van Petrus, en Petrus was één van de twaalf leerlingen van Jezus die het allemaal van dichtbij hadden meegemaakt. En Petrus preekt, Petrus preekt laten we zeggen in Rome, en Marcus schrijft het op. En we snappen waarom Petrus zo uitpakt over de spot van de Romeinse soldaten: daar hebben ze in Rome vast ervaring mee, in de jonge christelijke gemeente daar. Maar wat moeten we met die Simon van Cyrene? Wat anders is zijn aanwezigheid in dit verhaal dan een voorbeeld van hoe God de dingen leidt, maar dan deze keer zonder veel gevolgen…

            Hier zit een soort van gat in het verhaal, ook voor ons. Als Jezus zijn we niet: dat kunnen we niet. Als de soldaten zijn we ook niet: dat willen we niet. Maar Simon leek ons even één van ons, een toevallige voorbijganger, die in het verhaal wordt betrokken. Maar nu zijn betrokkenheid een beetje doodloopt, nu staan wij dus ook nog steeds langs de kant van de weg met lege handen. Wat wil Jezus van ons? Wat willen Petrus en Marcus ons duidelijk maken? Simon komt in beeld, Simon draagt de dwarsbalk van het kruis, Simon verdwijnt uit beeld…. Wat nu?

5.        Het antwoord is dat volgens Marcus Simon niet uit ons beeld verdwenen is. Marcus, Petrus vindt dat wij hem kennen. Dat wil zeggen: dat zijn bedoelde lezers hem kennen. Marcus noemt Simon met name de vader van Alexander en Rufus. Dus Marcus vertrouwde erop dat de mensen die zijn evangelieboek zouden lezen zouden weten bij wie deze twee namen hoorden. Als vader van Alexander en Rufus is Simon niet langer een toevallige voorbijganger, maar iemand die we kennen, iemand met wie we verbonden zijn, iemand die samen met ons het verhaal van Jezus is binnengezogen. Maar wie in den vrede zijn  Alexander en Rufus?

            Vandaag zou je even op facebook kijken, of op LinkedIn. Na zo’n zin volgt dan altijd: maar dat hadden ze toen natuurlijk nog niet. Maar het mooie is dat we uit die tijd wél wat facebook-achtige databestanden hebben. In de Bijbel staat een aantal brieven, en in die brieven doet de schrijver vaak de groeten aan zijn vrienden en bekenden in de stad waarheen hij zijn brief stuurde. Sommige bijbellezers slaan die stukken het liefst over. Wat hebben wij nou aan zo’n namenlijst? Mijn antwoord is: hier heb je je facebook. En uit een zo’n stukje uit een brief komt de volgende tekst: ‘Groet Rufus, die door de Heer is uitgekozen.’ Ik geef gelijk toe: zijn foto staat er niet naast, maar als Marcus de preken van Petrus in Rome opschrijft en daarin verwijst naar een zekere Rufus, en Paulus aan ene Rufus in Rome de groeten laat doen, dan is voor mij één plus één twee.

            Nu kun je terecht vragen of dat nou allemaal zo belangrijk is. Het antwoord is ja. Simon was, net als jij, een toeschouwer, een voorbijganger. Niemand van ons had door wat daar precies gebeurde. Ja, dat die soldaten weer eens te ver gingen, dat hadden we wel door. En dat er iemand geëxecuteerd ging worden, dat kon iedereen zien. Maar voor de rest, wie Jezus werkelijk was, wat Hij daar werkelijk deed, het ging aan ons voorbij, wij hebben Hem niet begrepen. Totdat een van ons, Simon uit Cyrene, de vader van, het kruis op zich nam en achter de Heer aanging. Wanneer het gebeurd is weet ik niet, of het direct na Pasen was of later toen Petrus preekte met Pinksteren en er tussen alle nationaliteiten ook mensen uit Cyrene in Libië stonden; hoe het gebeurd is weet ik ook niet, of het hem in een bliksemflits duidelijk is geworden of dat hij het langzaamaan heeft uitgeknobbeld; maar dat het gebeurd is weet ik zeker: Simon is gaan geloven in de man die z’n guillotine hij had lopen sjouwen.

6.        “Mijn naam is Simon en ik kom uit Cyrene. Maar wat ik met jullie wil delen is wat ik in Jeruzalem heb gezien. Ik heb God gezien, eerlijk waar, met mijn eigen ogen. Ik heb op mijn eigen schouders de dwarsbalk van het kruis gedragen waarop Hij vermoord is. Ik heb het mijn vrouw verteld, en mijn beide jongens. Ik heb haar in mijn armen genomen en gezegd dat dit het meest intense is dat ik ooit heb meegemaakt: ik heb God gezien. En ik heb gezien dat Hij zijn leven weggaf, en dat Hij dat deed voor jou en voor mij. En eigenlijk heb niet ik zijn kruis gedragen, zijn lijden verzacht. Hij heeft al mijn pijn en verdriet en zonde en schuld op zijn schouders genomen. En dus is dit wat ik mijn kinderen leer van jongs af aan: als de Heer Jezus je roept om achter Hem aan je kruis te dragen, dan moet je dat doen, dan moet je dat meteen doen. Dat heb ik ze geleerd, mijn Alexander en mijn Rufus, vanaf dat ik ze als baby’tje in mijn armen nam. Natuurlijk kan een vader, een moeder, aan een kind het geloof in Jezus niet geven. Dat moet de Geest van de Heer zelf doen. Maar zij zijn opgegroeid en ze hebben de stem van de herder gehoord en zij zijn nu ook: volgelingen van de Heer. En dat, mijn beste, is wat Simon van Cyrene jou ook aanraadt om te zijn.”

            “Mijn naam doet er niet toe, maar ik ben de vrouw van Simon. Toen mijn lieve Simon overleed werd ik een weduwe. Mijn zussen en vriendinnen kwamen om mij te beklagen. Dat was goed. Want ik was verdrietig. Ik denk dat iemand die niet heeft meegemaakt hoe het is je levensgezel te verliezen dat niet kan peilen. En toch was er ook dat andere gevoel. Dit weet ik: Simon heeft nu alle last van zijn schouders kunnen wegleggen. Hij is zijn Heer gevolgd door de dood heen naar een nieuw leven. Dus zeg nu zelf, wat kan ik als zijn weduwe anders doen dan de Heer te volgen, Hem te dienen waar Hij mij de mogelijkheden geeft? Binnen het nieuwe volk van God is ‘weduwe’ een geuzennaam geworden. De vrouw van Simon kan ik niet meer zijn, maar wel de moeder van zijn zoons en van zoveel meer jonge mensen die toevallig voorbijkomen maar worden geraakt door het verhaal van de Heer.”

            “Mijn naam is Rufus. Ik ben de zoon van Simon. Vanaf dat ik me kan herinneren heb ik van mijn vader de verhalen gehoord over de God van Israël, die nu ook de God van alle volken is geworden. Het mooiste verhaal vonden Alexander en ik (Alexander dat is mijn broer) dat verhaal van die ene namiddag dat mijn vader in Jeruzalem was en dat de soldaten hem dwongen een kruis op zich te nemen en zijn koning Jezus te volgen en dat de soldaten dat spottend bedoelden, maar dat ze niet doorhadden dat dat precies is wat mijn vader sindsdien heeft gedaan. Totdat Jezus zelf zei dat het genoeg was, de dag dat vader stierf. En nu hebben Alexander en ik die taak overgenomen. We voelden ons altijd al wereldburgers, maar dat is alleen maar meer geworden. Iedereen moet weten wie Jezus is. Dus zit ik nu in Rome, in het hart van het Rijk. Door mijn vader en mijn moeder heen heeft God mij aangeraakt. Ik hoor bij Jezus, dat mag de hele wereld weten.”

            “Hallo Rufus? Je spreekt met Paulus. Ik heb de leiders van de kerk in Rome gevraagd om jou de groeten van me te doen. Jongen, dat jij nu al daar zit, waar ik zo graag het evangelie had willen vertellen… de appel valt niet ver van de boom, denk ik dan maar. Rufus, wil jij van mij je moeder hartelijk groeten? Zoals zij mij als een moeder verwelkomd heeft toen ik, Paulus, van christendoder kruisdrager werd…” – Luister, dit verzin ik niet. Dit staat in Paulus’ brief aan de Romeinen: ‘Groet Rufus, die door de Heer is uitgekozen, en zijn moeder, die ook voor mij een moeder is.’ Paulus’ eigen woorden. In het wereldwijde netwerk van de kerk herdenken ze met dankbaarheid de toevallige voorbijganger Simon die feitelijk de eerste werd die het kruis op zich nam en achter de Heer aanging. En ze herdenken met dankbaarheid hoe God door hem de levens van anderen heeft aangeraakt, van zijn vrouw, van zijn kinderen, enzovoorts, en zo verder.

7.        De moraal van dit verhaal? Er zijn geen toevallige voorbijgangers bij Golgotha. Met Jezus je identificeren, dat is bar moeilijk. Met de soldaten vergeleken worden, dat wil je niet. Dus stel je je voor dat je als Simon was, een toevallige voorbijganger, die toekijkt vanaf de kant van de weg. Maar Simon is wel mooi het verhaal ingezogen, door de aantrekkingskracht van de Heer die vandaag nog Heer is. Vandaag, de dag dat deze Goede Vrijdag herdenken. In het vertrouwen dat ook wij door anderen heen en als het moet net zo goed om hen heen de aantrekkingskracht van de Heer gaan merken. Je kunt een ander het geloof niet geven, net zo min als ik het jullie kan geven. Maar je kunt wel laten zien dat dit het diepste is wat jij bent: een man, een vrouw die Jezus volgt. Die Jezus volgt, ook als dat zwaar is: kruis dragen. Met Simon mee achter Jezus aan.

            Amen.

Scroll naar boven