11 maart 2026 – Psalm 147 – Klant of vriend?

Votum & groet

Zingen:              Opwekking 715 (Wat hou ik van uw huis)

(Gebed=)

Zingen:              Lied 894: 1, 2, 3, 4 (Wanneer ik zoek naar woorden)                        

Bijbellezing:    Psalm 147

Zingen:              NPB Psalm 19: 1, 3, 5 (De hemel prijst de Heer)

Preek

Zingen:              NPB Psalm 33: 5, 6 (Geen koning kan de oorlog winnen)

(Geloofsbelijdenis=)

Zingen:              Gezang 185: 1, 2, 3, 4 (Heer, wij loven en aanbidden U)

Zingen:              Sela, Gebed voor de werkdag

Gebed

Zingen                Opwekking 436 (Onze Vader in de hemel)

Collecte          

Zingen:              Opwekking 520 (Wees mijn verlangen)

Zegen

Psalm 147: 10-11

Biddag vandaag – en ik begin met een vraag: hoe ben je hier vanavond naartoe gekomen? Als een klant van God of als een vriend van God? Kom je hier wat halen, kom je hier onderhandelen? Of: kom je hier ‘zomaar’? En natuurlijk wil je hier niet als een klant zijn, dat begrijp ik. Maar misschien aarzel je even om jezelf als een vriend van God te beschouwen. Begrijp ik ook, maar moet je horen: de Bijbel noemt ons samen de bruid van de Heer. Me dunkt, dat gaat nog wel even een paar stappen verder dan ‘vriend van God.’ Dus aarzel ik niet om te zeggen dat je het liefst Gods vriend wilt zijn. Je komt hier vanavond niet een transactie regelen. Je komt hier Iemand ontmoeten met wie je het liefst vertrouwelijk omgaat, met wie je verlangt om het goed te hebben.

I.

We lezen vanavond Psalm 147 en nu wil ik eerst uitleggen hoe ik vanuit Psalm 147 bij deze ene vraag uitkom, of je vandaag klant of vriend wilt zijn van God. Psalm 147, dat kun je uitrekenen, komt zo’n beetje aan het eind van het hele boek van in totaal 150 Psalmen. Wat zo mooi is aan dat eind van dit boek met Psalmen, is dat het boek afsluit met een handvol Psalmen, die er op uit zijn de Heer te loven. Kijk maar, Psalm 146 tot en met 150 beginnen en eindigen allemaal met hetzelfde woord: [1 2 3 4] halleluja! Loof de Heer! En nog een keer. En nog een keer. Tot vijf maal toe. Natuurlijk is dat expres. Dit is waarop het psalmboek uit moet lopen. Dat we de Heer loven, nu en voor altijd.

Binnen dat rijtje van vijf lofliederen, heeft Psalm 147 een eigen vorm en een eigen inhoud. Wat de vorm betreft: die lijkt behoorlijk op de taal van de profeten, met name Jesaja, met name in zijn hoofdstukken 40-55. Dat is het deel van Jesaja dat vol beloften is voor na het verblijf van het volk in ballingschap in Babel. Want Jesaja maakt duidelijk: het eind van het verhaal van het Oude Testament gaat níet zijn dat Israël vast zit in een ver en vreemd land. O nee, God gaat ingrijpen, God gaat ons bijeenbrengen, ons genezen, ons verzorgen. Hij zal ons niet loslaten, Hij niet. Die hele kernboodschap van Jesaja, die vat deze Psalm hier in twintig verzen samen.

Maar er is meer dan de vorm. Er is ook de inhoud van deze Psalm. Want in deze profetische poëtische vorm wil deze lofpsalm een samenvatting zijn van dat hele Oude Testament tot dan toe. Want dat verhaal tot dan toe moet uitlopen op lof. Kijk maar even welke thema’s in deze Psalm aan de orde komen: allereerst, de schepping. ‘God bepaalt het getal van de sterren, Hij roept ze alle bij hun naam,’ dat is vers 4. ‘Hij laat het sneeuwen als wol, rijp strooit Hij uit als stof,’ dat is vers 16. Vervolgens: het thema van de uittocht, van de exodus uit Egypte tot en met de terugkeer uit ballingschap. ‘De bouwer van Jeruzalem, dat is de Heer, Hij brengt de ballingen van Israël bijeen,’ dat is vers 2. ‘De Heer richt de vernederden op en drukt de goddelozen neer,’ vers 6. Na Genesis en Exodus volgen Leviticus t/m Deuteronomium, de wetsboeken. ‘Hij maakte zijn woorden aan Jakob bekend, zijn wetten en voorschriften aan Israël. Met geen ander volk heeft Hij zich zo verbonden, met zijn wetten zijn zij niet vertrouwd.’ Dat is vers 19 en 20. En dan ook nog de historisch daar op volgende tijd van rechters en koningen: ‘Hij heeft de grendels van je poorten versterkt, het volk binnen je muren gezegend. Hij geeft je vrede en veilige grenzen, met vette tarwe stilt Hij je honger,’ vers 13 en 14.

En midden tussen al die woorden die de hele geschiedenis van God en zijn volk in je bewustzijn brengen staan dan die prachtige woorden van vers 10 en 11: ‘Niet de kracht van paarden verheugt Hem, niet de sterkte van soldaten geeft Hem vreugde, vreugde vindt de Heer in wie Hem eren en in wie hopen op zijn liefde en trouw.’ En ik denk: die woorden staan daar in het midden met een reden. De profeet die deze Psalm zijn vorm geeft, wil in één loflied de hele Bijbel van toen samenvatten met in het midden de kern van dat alles: jouw God heeft geen plezier in ruilhandel, jouw kracht in ruil voorzijn bijstand. Nee, God heeft plezier in jou, omdat jij gericht bent op Hem. Die schepper God, die bevrijder God, die sprekende God, die gevende God, die gulle God, die God die wij hebben leren kennen, die wil gewoon blij zijn met jou. En dat jij blij bent met Hem. Net een vriend. Het hele verhaal komt hier op neer: wij horen bij elkaar. Hij bij ons en wij bij Hem.

II.

Nu is er in de Bijbel nog een verhaal, of zijn er nog wel meer verhalen, die niet met zoveel woorden opgeroepen worden in Psalm 147. En één zo’n verhaal is de geschiedenis van Job. Ja, behalve dan dat Job wel in deze Psalm zit. Als je een bijbeltje hebt met tekstverwijzingen, dan zie je dat er in deze Psalm allereerst heel veel verwijzingen naar Jesaja zitten, en ook allerlei losse verwijzingen naar allerlei andere bijbelboeken, maar ook een hele handvol verwijzingen naar precies het boek van Job. En net Job zat al een hele tijd in mijn hoofd, met net dat punt van klant of vriend als brandpunt. (Want ik had het afgelopen jaar op een gegeven moment wat tijd om te lezen en een van de boeken die ik las, was van Lambert Wierenga, over Job. Dat je even weet waar ik mijn ideeën vandaan heb. En ik vind van alles van dat boek, maar dit punt, van vriend of klant, bleef haken.)

Job is een vriend van God. Dat wil zeggen: God noemt hem ‘mijn knecht Job’, maar met zo’n knecht heb je geen vrienden meer nodig. Een en al genegenheid, over en weer. God ziet met vreugde wat Job doet en hoe hij  in het leven staat. En Job vindt de vreugde van zijn hart in zijn gericht zijn op deze God, die hij heeft leren kennen in al zijn liefde en trouw. En van mij mag je nog steeds het woord vriend een beetje gewaagd vinden, als je het maar met me eens bent dat Job in elk geval geen klantenrelatie met God heeft. Geen van beiden, God of Job, gaat het om de deals, gaat het om de transacties. Juist niet. God zegent Job, zomaar, en Job houdt van God, zomaar.

Of toch niet? Ineens is er een stoorzender in het boek Job. Iemand die twijfel zaait. Die woorden blijkt te hebben voor iets wat in God of in Job zelf niet op zou komen. Het is de duivel zelf die de bom naar binnen gooit. ‘Probeert U maar eens,’ zegt Hij tegen God, ‘houdt U maar eens op met Job te zegenen, en U zult zien hoe snel de liefde over is.’ Want, is het punt van de duivel, Job heeft met God niet een relatie van hart tot hart, vrienden onder elkaar, maar een overeenkomst van klant en leverancier. Voor wat hoort wat. Job zal God netjes dienen en respecteren, maar alleen omdat en alleen zo lang als God van zijn kant blijft leveren. [1 2 3 4] Zegen, zonen, dochters, vee, voor wat hoort wat. Dat is Job. Zegt de duivel. ‘Nee, hoor,’ zegt God. ‘Probeer het dan,’ zegt de duivel. And the rest, as they say, is history.

Een van de lagen in het boek Job lijkt mij precies deze kortsluiting te zijn. Job dient God niet omdat het een goede deal is. Job dient God omdat God een goede God is. Zomaar. En precies dat is de reden dat Job vastloopt met God, met wat er nu gebeurt. En een beroep doet op God, zoals Job Hem vereert. De God die door en door goed is. In zichzelf en uit zichzelf. Job beklaagt zich bij God, niet omdat de deal is misgelopen. Niet omdat Job als boze klant schadevergoeding komt opeisen. Job wil zijn grote vriend terug. Job had zijn rijkdom, zijn welvaart, nooit gezien als de uitkomst van een som, maar als passend in de relatie die hij naar zijn weten had met God. Wij geven om elkaar, zomaar. Want wij horen bij elkaar, zomaar. ‘Niet de kracht van paarden verheugt Hem, niet de sterkte van paarden geeft Hem vreugde, vreugde vindt de Heer in wie Hem eren en in wie hopen op zijn liefde en trouw.’ Zomaar.

III.

En nu wij. Wij zijn Job niet. Wat er mis ging in de relatie tussen God en Job kunnen wij niet zomaar kopiëren naar onze relatie met God. Maar dat de God van Job ons door dat boek wil laten weten dat je er van mag uitgaan dat Hij uit is, niet op contracten met cliënten  maar op een warme relatie met mensen, dat mag je volgens mij vandaag wel serieus nemen. Helemaal als je ziet hoe dit een doorgaande lijn in het hele Oude Testament is. Als God volgens Genesis met Adam en Eva door de avondschemering gaat wandelen, geloof me, dat is niet de directeur met een grote klant, dat zijn twee vrienden, of drie, wat jij wil. En in Jesaja wordt Abraham Gods vriend genoemd. En Exodus zegt dat God met Mozes sprak als met een vriend. En het Nieuwe Testament dat Jezus zijn leerlingen vrienden noemt. En dan heb ik het dus nog niet over de bruid die wij volgens het woord van God van Hem zijn.

En dus jij. Iedereen hier heeft ervaring met vrienden. Sommigen van ons hebben zelfs huwelijkservaring. Dan zit hier toch een uitnodiging in om iets van die ervaring die je hebt met vriendschap, met goede relaties, om dat mee te nemen in hoe je met God omgaat? Neem nu zo’n huwelijk. De kern van een huwelijk is toch niet dat het een ruilhandel is? Dat heb ik er tenminste van begrepen. Je bent toch geen cliënten bent van elkaar, en leveranciers? Zo van, ik de afwas en ik jij de vuilnis. Of ook, ik cadeautjes voor jou en jij aandacht voor mij. Van mij mag je natuurlijk cadeautjes geven, en aandacht, en de was doen en de vuilnis buiten zetten. Maar is het niet gaaf als we ook zomaar vrienden zijn? Omdat er geen reden voor hoeft te zijn, om samen blij te zijn, vreugde te vinden in elkaar, het goede te zoeken voor elkaar, te rekenen op elkaars liefde en trouw… Nee, niet rékenen op elkaars liefde en trouw. Het ís geen som. Het is hóop. Het verwáchten, van elkaars liefde en trouw. En dat dan vandaag met God. Op biddag.

Maar wacht even. Je hebt gelijk. Ik weet het. De zegen van God, zijn weldaden,  jouw welvaart en welzijn, je kunt het zomaar kwijt zijn. Zo zit deze wereld nu nog in elkaar. Er zit nog van alles scheef. Maar de God die ik ken is een God van genade en goedheid en zegen. Soms komt dat niet door. Bereikt het mij allemaal niet en jou ook niet, soms om redenen die ook ik niet kan doorgronden. Of ook van onze kant. God weet hoe ik Hem soms teleurstel als vriend. Hoe ik onze vriendschap op de proef stel. Aan alle kanten hebben we in deze relatie onze Heer Jezus nodig, van wie God zei: ‘Jij bent mijn geliefde zoon, in jouw vind Ik vreugde.’ Vrienden voor het leven, door deze middelaar. Maar ook als ik het niet altijd zie, blijf ik het geloven. Deze God wil warmte tussen Hem en mij. Ik kan Hem niet kopen. Ik hoef Hem niet kopen. Als ik bij Hem aanklop met mijn verlangen, met mijn zorgen, met mijn noden – dan doet Hij mij open en mag ik bij Hem thuis zijn.

IV.

Hoe ben je hier vanavond? Is het een som, die je maakt? Zo van: als ik dit voor God doe, dan reken ik erop dat Hij van zijn kant onze deal honoreert? Geloof me, je bent voor zoveel meer gemaakt. Met ons bidden op biddag vandaag, stappen we in die relatie met God. ‘Niet de kracht van paarden verheugt Hem, niet de sterkte van soldaten geeft Hem vreugde.’ Wij verwachten het van zijn vriendelijkheid. ‘Vreugde vindt de Heer in wie Hem eren en in wie hopen op zijn liefde en trouw.’

Amen.

Scroll naar boven