Filippenzen 2: 5-11
Votum & groet
Zingen: NPB 8: 1, 2, 3, 4, 6 (Heer, onze Heer, uw naam is groot en machtig)
Gebed
Bijbellezing 1: Handelingen 1: 1-11
Zingen: NPB 47: 1, 2 (Juich, applaudisseer)
Bijbellezing 2:Filippenzen 2: 1-11
Zingen: NPB 75: 1, 3, 4, 6 (U alleen, God, prijzen wij)
Preek
Zingen: Opwekking 705 (Aan de maaltijd wordt het stil)
Gebed
Collecte
Zingen: Opwekking 366 (Kroon Hem met gouden kroon)
Zegen
I.
[1] Hemelvaart – en voor je het weet overkomt je hetzelfde als de apostelen van toen, die er met hun neus bovenop hebben gestaan: dat je toch wat wezenloos staat te kijken naar wat hier gebeurt. Want wat krijgen we nou? In wat voor wereld is dit hoe het verhaal afloopt, hoe het verhaal van Jezus afloopt? Wat in de vrede wil God ons hiermee nu voorhouden? Wat overkomt ons nou?
Vandaag wil ik je vragen om een stapje terug te doen. Om even uit te zoomen en samen met Paulus te kijken naar wat hier nu eigenlijk gebeurt. Te [2] kijken naar Jezus. Wie was deze Jezus helemaal? Wat heeft het jou te zeggen dat Jezus mens geweest is zoals wij? Wat heeft het jou te zeggen wat God met Hem heeft gedaan? En wat heeft zijn hemelvaart in dat verhaal te zegen? Laten we vanmorgen met Paulus naar Jezus kijken en naar zijn hemelvaart.
En laten we dat doen aan de hand van dat wat Paulus zegt in Filippenzen 2. Weet je wat het leuke is van Paulus zijn brief aan de Filippenzen? Dat Paulus in deze brief geen agenda heeft. Er is geen dwaling die Paulus aan wil pakken, er zijn geen vragen die hij moet beantwoorden, geen theologie die hij wil ontwikkelen, zoals in andere brieven. Paulus heeft geen ander doel dan dat hij de mensen in Filippi wil bedanken omdat ze hem financieel zo geweldig hebben geholpen. Dat is zijn heilige doel met deze brief. Dat kom je tegen als je verder leest in Filippenzen hoofdstuk 4.
En haast en passant legt Paulus dan in Filippenzen hoofdstuk 1 nog een en ander uit over zichzelf – dat hij als een slaaf gevangen zit, maar waarom dat toch goed is; legt Paulus in hoofdstuk 3 nog wat uit over de gemeente in Filippi – dat de verschillen die ze ervaren juist een uitnodiging zijn om elkaar als medemensen te zien; en daartussenin staat ons hoofdstuk, hoofdstuk 2, waarin Paulus ons uitnodigt om bij dat alles naar Jezus te kijken – want bij Hem moet je zijn voor de sleutel om je situatie te begrijpen. Dus laten we eens kijken.
II.
Kijk nou gewoon eens naar Jezus. Wat zie je dan? Om te beginnen: mensen die in Jezus gingen geloven hebben vanaf het begin gezien: dat Jezus de gestalte van God had – Filippenzen 2: 6. Wat is dat, de gestalte van God hebben? Volgens mij bedoelt Paulus heel simpel dit: als je Jezus had kunnen zien voordat Hij als mens werd geboren, dan had je gezien dat Hij God is. [3] Eerst zie je God.En ja, dat is onvoorstelbaar. Hoe kun je nu naar iemand van ons kijken en zeggen: volgens mij kon je vroeger zien dat jij God bent? Dat is raar.
En het is inderdaad zo raar dat een heleboel bijbeluitleggers hier heel zenuwachtig van worden. Zoals Paulus het hier formuleert, nee hoor, dat kan hij toch niet bedoeld hebben. Want hoe past dit bij wat Paulus op andere plekken in zijn brieven zegt? Hoe past dit bij wat we verder in de Bijbel en in de kerk lezen over Christus? En het klopt dat Paulus zich hier op een unieke manier uitdrukt. ‘De gestalte van God hebben.’ Maar Paulus heeft geen agenda. Hij kijkt gewoon naar Jezus, samen met zijn broers en zussen. Samen met ons. Had je Jezus vroeger gezien, dan had je God gezien. Jezus had eerst de gestalte van God.
En hoe uniek Paulus het hier ook onder woorden brengt, het doet mij zomaar denken aan hoe een andere grootheid uit het begin van de kerk het ook beschreef. Dit lees ik in het Evangelie van Johannes, in hoofdstuk 1: ‘In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God.’ Andere woorden, andere beelden, maar verwijzen ze niet naar dezelfde werkelijkheid? Als je lang genoeg naar Jezus kijkt, dan ga je God zien. ‘Het Woord is mens geworden en wij hebben zijn grootheid gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader.’
En net deze Jezus, ‘die de gestalte van God had, maakte er geen aanspraak op aan God gelijk te zijn’ – Filippenzen 2: 6. En ook daarin is deze mens Jezus uniek. Want alle mensen die ik ken zitten net andersom in elkaar. Kijk, Jezus is als God begonnen, maar zag dat God zijn niet als iets wat Hij in zijn eigen voordeel moest bezitten. Nou, ik ken mensen – en hij keek in de spiegel – die er ten diepste op uit zijn juist zoveel mogelijk góddelijks te veróveren. Ík sta in het centrum van mijn wereld. Wat is dat anders dan: ik wil aan God gelijk zijn? Dit zit in mij: hebben, hebben, hebben: meer, macht, goddelijkheid. Dit is Jezus: geven, geven, geven.
III.
En daarin ging Hij ver. ‘Hij deed afstand van zijn positie en nam de gestalte aan van een dienaar’ – Filippenzen 2:7. ‘Van een dienaar?’ Nou, ik denk ‘de gestalte van een slaaf.’ [4] Het woord van Paulus zelf kan beide betekenen. ‘Dienaar’ of ‘slaaf’. En weliswaar zegt Paulus nergens anders dat Jezus een slaaf is geweest, dus dat zou in Filippenzen 2 uniek zijn. Maar ik denk dat het is wat Paulus bedoelt. Want Jezus gaf zijn goddelijke vrijheid op, om zichzelf aan iedereen ter beschikking te stellen. Een slaaf. Een zelf tot slaaf gewordene.
Zoals trouwens opnieuw ook die Johannes al beschreven had, in Johannes 13. ‘Jezus, die wist dat de Vader Hem alle macht had gegeven en dat Hij van God was gekomen en weer naar God terug zou gaan, stond tijdens de maaltijd op. Hij legde zijn bovenkleed af, sloeg een linnen doek om en goot water in een waskom. Hij begon de voeten van zijn leerlingen te wassen, en droogde ze af met de doek die Hij omgeslagen had.’ ‘Dan niet alleen mijn voeten, Heer, maar ook mijn handen en mijn hoofd.’ Het is al goed jongen, zegt Hij tegen Petrus, zegt Hij tegen jou en mij. Het is goed, Hij heeft je rein verklaard. Door zelf tot zonde te worden.
‘Hij werd gelijk aan de mensen, en als mens verschenen heeft Hij zich vernederd en werd gehoorzaam tot in de dood – de dood aan het kruis’ – Filippenzen 2: 8. Dus dat is hoe het afloopt. Met Paulus kijken we vandaag naar het leven van Jezus. De apostel schrijft een dankjewel-briefje voor de financiële ondersteuning van de gemeente van Filippi. En passant gaat het over de zin van zijn gevangenschap en over de praktijk van hun kerk-zijn. Zie het maar, zegt Paulus, zie het allemaal maar in het licht van het leven van Jezus. Maar kijk dan zelf, Paulus… Wat was dat leven anders dan een voortdurend sterven? Zie Jezus, zeg je. Maar dat loop tocht uit op Golgotha, dat loopt toch uit op ‘zie de mens’?
IV.
Paulus heeft er zijn leven lang van gebaald, dat hij er geen ooggetuige van was geweest. Hij heeft het allemaal alleen van horen zeggen, net als jij. Maar hoe meer hij zich in de verhalen over Jezus verdiepte, hoe meer hij tot de conclusie kwam, dat er maar een verklaring mogelijk was. In Jezus van Nazareth had de God van Israël, de hoge schepper zelf, zich aan zijn volk geopenbaard. Zijn oude belofte: jullie zijn mijn volk en Ik ben jullie God, was nog veel dieper waar geweest dan Abraham en al de zijnen ooit hadden gedacht. Namelijk niet alleen: jullie zijn mijn volk en Ik ben jullie God, maar: jullie zijn mijn volk en Ik ben jullie.
Iedere Jood wist dat het de bedoeling was dat het volk van Abraham de problemen van de wereld zou oplossen. Want in de nakomelingen van Abraham zou heel de wereld gezegend wezen. Maar iedere Jood begreep ook wel dat Israël dan wel een probleem had. Want het léék er niet op: de problemen van de wereld oplossen. Hoe dan? Door vroomheid, zeiden de Farizeeën. Door modernisering, zeiden de Sadduceeën. Door opstand tegen de Romeinen, zeiden steeds meer Joden… Door Jezus, zegt God. En zegt Paulus Hem na.
Het spijt me voor je als Hemelvaart voor jou niets nieuws meer is, en Pasen niet en Golgotha en Bethlehem. Maar het spijt me nog meer voor je als je je er niet meer door laat verrassen. En dan vooral als je je niet meer laat verrassen door de breuk die er zit tussen Bethlehem en Golgotha aan de ene kant en Pasen en Hemelvaart aan de andere kant. Hier in Filippenzen 2 ziet Paulus aan de ene kant Bethlehem en Golgotha in elkaars verlengde, en aan de andere kant Pasen en Hemelvaart.
Luister maar. Eerst Filippenzen 2: 7 en 8: ‘En als mens verschenen heeft Hij zich vernederd en werd gehoorzaam tot in de dood – de dood aan het kruis.’ Bethlehem en Pasen. En dan na drie tellen doodse stilte het contrast in vers 9, Pasen en Hemelvaart: ‘Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem de naam geschonken die elke naam te boven gaat.’ Een mens denkt bij de kruisdood: dit is het einde, en wat voor einde. Een slavendood, een schande, het grootste niets dat denkbaar is. God kijkt ernaar en kijk, het was avond geweest en het was morgen geweest, een nieuwe dag. En Hij zag dat het goed was. Pasen, een nieuw begin. [5] God ziet een nieuwe mens.
V.
Staar je niet blind, op Hemelvaartsdag. Kijk met Paulus mee naar het leven van Jezus. En ontdek: in Hem mag ik het diepste van God zien en in Hem mag ik het diepste van mijzelf zien. Ja, God bestaat. Natuurlijk, je kunt Hem negeren. Je kunt ook jezelf zo opblazen dat je Hem geen ruimte meer laat. Maar tal van mensen voelen wel aan dat er meer is dan ik, mijzelf en mij. Voelen wel aan dat er meer moet zijn. Jezus zegt: kijk naar mij, dan weet je wat dat ‘meer’ is. Dan weet je wie dat is. Dat de grootste macht die achter alles zit wat je ziet, een macht is die zichzelf kon loslaten en overgeven aan jou en aan mij. Als dat geen liefde is…
[6] En dus ook voor jezelf: wie zie jij in de spiegel? Nodigt die Jezus jou niet uit om dan ook de gok te nemen? Ik weet wat je denkt – nee, dat is niet waar. Ik weet wat ik denk: ik moét wel hebben, graaien, vasthouden. Want wie ben ik nog als ik niets meer héb? Jezus zegt tegen mij: de enige manier om te blijven wie je bent, is geven, is delen, is loslaten. Jezus zijn leerling Paulus heeft het begrepen. ‘Handel niet uit geldingsdrang of eigenwaan, maar acht in alle nederigheid de ander belangrijker dan uzelf. Heb niet alleen uw eigen belangen voor ogen, maar ook die van de ander. Laat onder u de gezindheid heersen die Christus Jezus had.’ ‘Geven maakt gelukkiger dan ontvangen.’ Geven.
Ik denk dat ik weet wat je nu zeggen wil. Ik denk dat je nu denkt aan je baas, aan je leraar en aan je leerling, aan je ouders en je kinderen, aan al die anderen die je leeg kunnen zuigen en het houdt niet op. Ik snap wat je zegt. Of liever: ik snap ook niet hoe Jezus het volhield om alleen maar te geven. Moet je daarvoor niet inderdaad als God zelf zijn? En is het dan gewoon aan ons mensen gewoon niet gegeven alleen maar uit te delen? Dat is toch niet hoe de wereld werkt? Weet je, volgens mij heb je gewoon gelijk. Alleen maar uitdelen, dat kan geen mens volhouden. Tenzij God zelf je een handje helpt. Maar als je daar meer over wilt weten moet je over tien dagen maar weer in de kerk zijn. Op Pinsteren. Als het gaat over het cadeau van God dat de Geest is.
Maar ondertussen dit: op Hemelvaartsdag zet God zijn handtekening onder het leven van Jezus en onder zijn keuzes en onder zijn wereldbeeld. Zet God zijn handtekening onder dit spiegelbeeld van ik, mijzelf en mij:
Gelukkig wie nederig van hart zijn,
want voor hén is het koninkrijk van de hemel.
Gelukkig de treurenden,
want zij gaan getroost worden.
Gelukkig de zachtmoedigen,
want zij gaan de aarde bezitten.
Gelukkig wie hongeren en dorsten naar de gerechtigheid,
want zij gaan verzadigd worden.
Gelukkig de barmhartigen,
want zij gaan barmhartigheid ondervinden.
Gelukkig wie zuiver van hart zijn,
want zij gaan God zien.
Gelukkig de vredestichters,
want zij zullen kinderen van God genoemd worden.
Gelukkig wie vanwege de gerechtigheid vervolgd worden,
want voor hén ís het koninkrijk van de hemel.
Het koninkrijk van de hemel voor mensen, voor jullie, voor jou. Op Hemelvaartsdag zegt God tegen jou: dit is hoe het in mijn wereld werkt. Kijk maar naar Jezus. En nu jij weer.
Amen.