Votum & groet
Zingen: Lied 405: 1, 2, 3, 4 (Heilig, heilig, heilig)
Psalm 46: 2, 4 (Een brede stroom verheugt Gods woning)
Gebed
Lezing: Jesaja 56: 1-8
Zingen: GK(2006) 167: 1, 2 en 3 (Samen in de naam van Jezus)
Tekst Jesaja 56: 7b
Zingen: Lied 477: 3, 4, 5 (Het licht van de Vader)
Gebed
Geloofsbelijdenis
Collecte
Zingen: Opwekking 428 (Genade, zo oneindig groot)
Zegen
I
[1] Hier luistert God.
‘Hier luistert God? Hier luistert God? Hoezo hier luistert God? Wie zegt dat Hij wat hoort? Wie zegt er dat Hij luistert? We merken er niets van! Hij kon er net zo goed vandoor zijn! Hij kon net zo goed niet bestaan!’ Ja, zo was het een beetje op dat moment. Op dat moment, dat Jesaja opnieuw het woord nam, in Jesaja 56. Of Jesája… het mag van mij ook een leerling geweest zijn. Of ook: iemand die achteraf had begrepen waar hij dit woord moest plaatsen. Want juist in deze situatie was dit woord op zijn plek. Juist in deze situatie. Nu de mensen God kwijt waren. Nu veel mensen het niet meer wisten. ‘Wie zegt dat God luistert? [2] We merken er niets van!’
Als je het boek van Jesaja op een rijtje zet, dan zie je drie delen. Het eerste deel is hoofdstuk 1-39. [3] Dat is zeg maar, het oordeelsdeel. Als jullie zo doorgaan, zegt God, dan gaat het helemaal mis. Als jullie zo doorgaan, zegt God, met Mij negeren en met de mensen om je heen negeren. Dan gaat het helemaal mis. Met jullie. Maar net zo goed met de hele wereld. Want die andere volken zijn geen haar beter. Die anderen volken negeren Mij ook. En ook de mensen om hen heen. Zo kan het niet langer.
En zo was het gegaan. In het jaar 587 was het zover. De koning van Babel was gekomen en hij had iedereen meegenomen. Of iedereen… De koning wel in elk geval, en de edelen, en de geleerden. En het volk dat achterbleef was onthoofd. En niet alleen had hij ménsen wéggevoerd. Hij had ook de tempel verwoest. Die mooie tempel van Salomo, die vierhonderd jaar lang het centrum van Jeruzalem was geweest. Israëls huis van gebed. De plek waar God luistert. Helemaal kapot. En de stad Jeruzalem ook. En dus zingen we: ‘O God, nu zijn de heidenen gekomen, zij hebben heel uw erfdeel ingenomen, uw heilig huis ontwijd en afgebroken, Jeruzalem, uw stad in brand gestoken.’ [4] Het oordeel eindigt in ballingschap.
Maar Jesaja had het er niet bij laten zitten. Of: God had het er niet bij laten zitten. Want na Jesaja 39 komt Jesaja 40. Na zoveel oordeel van God, mocht hij nieuwe woorden spreken. Woorden van hoop, woorden van troost. Voor het moment dat aan de ballingschap een einde zou komen. Jesaja 40: ‘Troost, troost mijn volk, zegt jullie God. Spreek Jeruzalem moed in, maak haar bekend, dat haar slavendienst voorbij is, dat haar schuld is voldaan!’ Wat een beloften! Heel het volk mag weer terug naar het land. Jeruzalem wordt weer het centrum van Gods koninkrijk! En die tempel, ‘mijn tempel,’ zegt God, ‘mijn tempel wordt weer het centrum van Jeruzalem!’ Want dat is de boodschap in het tweede deel van Jesaja. [5] Hoofdstuk 40-55.God gaat zijn koninkrijk herstellen. Wat een beloften. Pure genade.
… Maar we merken er niets van. [6] God kon er net zo goed vandoor zijn. God kon net zo goed niet bestaan. Dat is de situatie nu. We hebben het oordeel gehoord, en het is gekomen, de ballingschap in 587. We hebben het evangelie gehoord – en misschien inmiddels ook nog wel stukjes ervan gezien. Een groep mensen die terugkomt uit Babel, uit ballingschap. Een stuk van de muur dat hersteld wordt. Maar ergens is het vooral stil. Ergens weten we niet waar we aan toe zijn. Waar blijft God nu? Hij had toch van alles beloofd? En ik kan me die onzekerheid wel voorstellen.
II
En in die situatie spreekt Jesaja deel 3 en het begint met Jesaja 56. En aan 56:1 kun je zien dat het oordeel van hoofdstuk 1-39 en de redding van hoofdstuk 40-55 hier een vervolg gaan krijgen. [7] Jesaja 56: 1: ‘Dit zegt de Heer: Handel rechtvaardig, handhaaf het recht (- en dat is natuurlijk de waarschuwing, anders volgt het oordeel); de redding die Ik breng is nabij (- dat is dus dat evangelie van hoofdstuk 40-55).’ En dit is dan wat God met ingang van Jesaja 56 in deze situatie doet. God zegt niet: nou ja, laat dan maar allemaal zitten. God zegt ook niet: hallo, Ik heb het jullie toch al vroeger een keer beloofd! God zegt dit – en het is verrassend: [8] ‘Mijn tempel zal heten Huis van gebed voor alle volken.’
En weet je wat nu zo bijzonder is? Dat God dus niet simpelweg de belofte herhaalt. Dat God niet simpelweg opnieuw spreekt van de tempel die blijft – maar dat God de deuren van de tempel opengooit. God zegt: ‘Dus jullie vragen je af of het nog wat wordt met die oude beloften van Mij? Weet je wat? Ik zal er nog een belofte bijdoen. Mijn tempel zal heten Huis van gebed [9] voor alle volken!’’ Of om het met vers 8 te zeggen: [10] ‘Zo spreekt God, de Heer, die bijeenbrengt wie uit Israël verdreven waren (dat is de oude belofte): Ik breng er nog meer bijeen dan al bijeengebracht zijn (bam, eroverheen).
Ik wil je er graag van doordringen dat dit nu jou God is. Het zag er niet goed uit. Het zag er niet goed uit voor de mensen van God, want ze waren Hem eigenlijk kwijt. Het zag er ook niet goed uit voor God, want Hij was zijn mensen eigenlijk kwijt. Maar dit is nu jouw God. Geen God die bij tegenslag opgeeft. Maar een God die bij tegenslag zegt: ‘Nu ga Ik het juist nóg mooier maken!’ Toen Israël bij de pakken neerzat trok God zich niet terug. Integendeel. God zei tegen ze: ‘Niet alleen jullie horen bij Mij, maar ook nog de mensen uit Babel zelf en de mensen uit Ammon en
die uit Moab en zelfs die gasten van nog veel later dan nu, die mensen uit het Lage Land en uit Capelle, uit Ommoord en uit Schiebroek, uit Nederland en van de Antillen en uit Armenië en uit Syrië en noem ze maar op.’ Op het moment dat het leek alsof God vastliep, koos Hij ervoor om zijn plannen, zijn beloften nog groter te maken. En jij vandaag bent het levende bewijs dat God doet wat Hij zegt.
Want wij heidenen, mensen uit alle niet-Joodse volken, zijn welkom, zegt Jesaja, op Gods heilige berg. Wij heidenen, dat wil zeggen, onreine mensen… welkom op Gods heilige berg… Wij heidenen, vuil geworden mensen, welkom op Gods heilige berg… Ja, sorry, maar jullie kijken me nog steeds niet verbaasd genoeg. Moet je horen. Aan bepaalde categorieën had God vroeger letterlijk de toegang tot de tempel ontzegd. Vroeger, in de Bijbel. Letterlijk: Deuteronomium 23: 2: [11] ‘Wie onrein is, moet de toegang tot de gemeenschap van de Heer worden ontzegd. Hetzelfde geldt voor Ammonieten en Moabieten: nooit ofte nimmer zullen ze tot de gemeenschap van de Heer worden toegelaten.’ Nooit ofte nimmer… Dat was Deuteronomium 23. En nu: Jesaja 56: welkom! Wat houd ik van de onlogica van God. Eerst verbieden, en dan: welkom. En even voor de duidelijkheid: Gods onlogica is natuurlijk groter dan mijn logica. Als God dit zegt, dan is dit zo. En Hij zegt het. Hij zegt het van heidenvolken en Hij zegt het van andere groepen en vul ze maar aan. Eerst afgekeurd, verboden toegang. En nu: welkom op mijn heilige berg.
[12] Maar snap je dat? Níemand zit uit zichzelf op de lijn van God. Níemand. Nou, voor je het weet maken wij daar wat anders van. ‘Deze groep zit wel op de lijn van God en die groep niet. Ons soort mensen wel en hun soort mensen niet. Bladiebla.’ Maar toen ze paus Franciscus in 2023 vroegen voor wie de deuren van de kerk moesten openstaan, zei hij maar één woord: ‘todos, todos, todos.’ Dat is goed Spaans voor: ‘voor allen, allen, allen.’ Ik zou het niet beter kunnen zeggen. En Jesaja ook niet. ‘Mijn tempel zal heten Huis van gebed voor alle volken.’ Alle, alle, alle. Ja, die ook. En die ook. Verbaast je dat? Dan zal het wel genade zijn, verbazende genade, genade zo oneindig groot. Dat hij en zij die het niet verdienen… o nee, dat ik, die het niet verdien het leven vond al was ik dood. Uit Gods overvloed hebben wij allen genade op genade ontvangen. Maar wees gerust als je het niet snapt. Je hoeft God niet te snappen om door Hem geliefd te worden.
III
En nu vraag ik graag nog je aandacht voor het overige stukje van de woorden van Jesaja, van de woorden van de Heer. ‘Mijn tempel zal heten, voor alle volken, Huis van gebed.’ [13] Huis van gebed. Want wat moeten al die volken en al die andere groepen die eerst niet bij God hoorden maar nu wel bij Hem mogen horen, wat moeten die daarvoor doen? Moeten die, ik noem maar wat, moeten die nu allemaal een inburgeringscursus doen? Moeten die, ik noem maar wat, Hebreeuws leren? Of moeten ze zich eerst laten besnijden, ja, de jongetjes dan? Wat móet je allemaal eerst als je de overgang wilt maken van heiden naar heilig? Van wereld naar God. Van fout naar goed. Wat? Dit. Kom, laten wij aanbidden. Kom, laten wij aanbidden. Kom, laten wij aanbidden, die koning. Dat is alles.
Het mag je opvallen dat Jesaja, wanneer hij in dit Bijbelgedeelte omschrijft wat nou typerend gaat zijn voor al die heidenen die er ook bij mogen horen, dat hij dan allemaal, nou ja, zeg maar, liturgische werkwoorden gebruikt. Werkwoorden die iets zeggen over hoe die mensen met God omgaan, Hem dienen, Hem nabij zijn en eren. Vers 6 en 7 in hun geheel: [14] ‘En de vreemdeling die zich met de Heer heeft verbonden om zijn naam lief te hebben, om dienaar van de Heer te zijn – ieder die de sabbat in acht neemt en die niet ontwijdt, ieder die vasthoudt aan mijn verbond-, hem breng Ik naar mijn heilige berg, hem schenk Ik vreugde in mijn huis van gebed; zijn offers worden op mijn altaar aanvaard. Mijn tempel zal heten Huis van gebed voor alle volken.’ [15] Mijn tempel zal heten Huis van gebed voor alle volken.
Liturgie. Ontmoeting met God. Van hart tot hart. Neem onze liefde in genade aan. U die ons liefheeft, U behoort ons hart toe. Vol vreugde. In die tijd was dat wel iets duidelijks. Als jij eerst de goden van Babel had gediend, dan maakte je nu rechtsomkeert. Als jij eerst met liters wijn plezier had gehad in de tempel van Baäl, dan ging je nu… Ja, wat? Heel simpel: niks alcohol, gewoon zelf blij zijn, jij met God en God met jou. Hem je respect geven. Bij Hem je vragen neerleggen en je dankbaarheid. Bij Hem. Maar dat was toen zo. Vandaag ligt het anders. Vandaag hoef je geen rechtsomkeert te maken… O nee? Als ik naar jou kijk en naar jouw leven, wat ga ik dan zien? Aan wie geef jij respect? Waar zoek jij antwoorden? Waar zoek jij je vrede? Wie merkt iets van jouw dankbaarheid? Ontmoeting met God, van hart tot hart.
In dit hoofdstuk en wel meer in Jesaja gaat het ook over het houden van de sabbat. Ik denk dat jij en ik, Nederlanders uit het begin van de 21ste eeuw dan een Pavlov reactie hebben. Sabbat? Zondag? Hoepel op. Regeltjes van vroeger, meneer. Van een verouderde bedeling of van een verouderd wereldbeeld of van allebei. Oké. Maar wat als de sabbat en ook de zondag nu betekent dat Jezus óók zegt: ‘Natúúrlijk houd Ik altíjd van je. Maar om dat te vieren, om elkaar te ontmoeten, om tijd te vinden voor jou en voor Mij en ook voor jezelf, heb Ik een idee. Eén dag in de week, die zet Ik apart voor jou. Ik weet dat je me soms kwijt bent. Ik weet dat jij je vragen hebt, geloof Me, Ik heb ze zelf ook gehad. Heeft God Me verlaten? Ben ik alleen? Wie zegt dat Hij wat hoort? Wie zegt er dat Hij luistert? We merken er niets van! Hij kon er net zo goed vandoor zijn!’ Eén dag in de week zet God wereldwijd de deuren open. Zet God zijn hart open. En iedereen is welkom. Jij ook. Bij Hem. De God die luistert. Hier luistert God.
IV
Nog één ding. ‘Mijn tempel zal heten Huis van gebed voor alle volken.’ Als ik nu zou stoppen, zou het net zijn alsof ik die tempel van toen zomaar laat blenden met de kerk van nu. [16] Nou doe ik dat ook. Ik laat de oude tempel van toen overlopen in de nieuwe tempel van de Ichthuskerk. Huis van gebed voor alle volken. Hier luistert God. Maar ik doe dat wel via [17] Jezus Christus, de Zoon van God, de Redder. Dit is wat Hij zelf van zichzelf zei. Jezus vergeleek zichzelf met de tempel. Sterker nog: Hij zei dat Hij meer was dan de tempel. En Hij heeft een keer de daad bij het woord gevoegd. Dat was toen Hij zag hoe oneerbiedig de mensen van God zelf omgingen met de tempel, het huis van God. Toen legde Hij de boel stil, de hele handel, inclusief alle offers en alle gebeden. Zo niet, zei Hij. Dit was niet de bedoeling. Want Gods bedoeling was dit: [18] ‘Mijn huis moet voor alle volken een huis van gebed zijn.’ Hij zei het zelf. In Marcus 11.
En toen heeft Jezus zelf deze woorden vervuld. Want hoe je ook omgaat met al die oude beloften van God over herstel van zijn tempel en wederopbouw van Jeruzalem en de deuren open voor zijn volk – hoe je ook omgaat met die oude beloften, bijvoorbeeld als het over Israël vandaag gaat – Jezus zelf liet ze via zichzelf lopen. Dat Hij zelf door het oordeel zou gaan. Maar dat Hij de dood zou overleven, de verwoesting, en na drie dagen weer zou opstaan. En dat hij daarmee voor altijd voor iedereen, voor allen, allen, allen, de God zou zijn die luistert. De plaats waar, nee, de persoon in wie je God kan ontmoeten. Gods liefde, Gods hart, God zelf. Dat is het evangelie dat ook de Ichthuskerk vertelt.
Maar hoe lang dan nog? Wie zegt dat Hij nog steeds hoort? Wie zegt er dat Hij nog steeds luistert? Oké, dan doen we er nog een belofte bovenop. Openbaring 21: 22 zegt over Gods toekomst, over het nieuwe Jeruzalem: [19] ‘Een tempel zag ik niet in de stad, want God, de Heer, de Almachtige, is haar tempel, met het lam.’ Geen drempels meer, geen deuren, geen afstand. De Heer hoort je. Eén op één.
Amen.