Welkom
Votum en groet
Zingen: Psalm 108: 1, 2 (Mijn hart is Heer, in U gerust)
Opwekking 671 (U schiep zon en maan en sterrenpracht)
Gebed
Zingen: Opwekking 843 (Diep was de kloof)
Lezen: Filippenzen 1: 27 – 2: 11
Zingen: Opwekking 764 (U zult altijd voor ons strijden/Zegekroon)
Tekst: Filippenzen 3: 20
Zingen: DNP 146: 1, 2, 3 (Halleluja! Heel mijn leven)
Belijdenis en doop
Zingen: Opwekking 710 (Zegen hen op de weg die ze-moeten gaan)
Lied 23b: 1,2 (De Heer is mijn herder!)
Phil Wickham, Heart of Worship
Gebed
Collecte
Zingen: Opwekking 818 (Eenmaal maakt U alles weer nieuw)
Zegen
Filippenzen 3: 20
[1] Rotterdam is mooi, de hemel is… mooier.
I.
Hierover wil ik het met jullie hebben vanmorgen, in deze bijzondere en feestelijke kerkdienst. Het lijkt wel alsof er iemand jarig is. En eigenlijk is wat ik jullie vanmorgen mee wil geven precies dit: dat het inderdaad feest is vandaag en bijzonder en mooi – maar dat het er dan juist om gaat dat we vandaag elkaar in de ogen kijken en tegen elkaar zeggen: ‘Vandaag is mooi, maar het mooiste is dat vandaag in het echt alleen nog maar de voorpret is van wat nog komt.’ Hier en nu kan nog zo mooi zijn, Rotterdam is mooi, de hemel is … mooier.
Dat Rotterdam mooi is hoef ik jullie natuurlijk niet uit te leggen. Toch? Ook als je uit Capelle komt of van wat verder weg, kom op, deze stad die heeft iets. Ik heb zelf één dochter die in Rotterdam woont en zij zegt: ‘Paps, Rotterdam is de enige echte stad van Nederland. De andere steden zijn eigenlijk opgevoerde dorpen met gezellige pleintjes enzo. Maar zo’n skyline als van Rotterdam, die vind je nergens anders. Rotterdam is mooi. En niet alleen Rotterdammers weten dat. Moet je maar eens opletten hoeveel reclames gebruik maken van Rotterdamse stemmen: van Gamma, dat zeg ik, tot Chocomel, it’s all good: Rotterdam is populair.
Maar dat ik dan zeg: ‘de hemel is… mooier,’ dat wil ik wel even uitleggen. Want als je in één woord zeggen wil wat de hemel is, wat zeg je dan? De hemel is… Wat zeg je dan? Eerlijk is eerlijk, best veel mensen hebben dan wél hun zegje klaar. Die weten precies wat de hemel is. Eeuwig ofzo. Of heilig. Of zalig. Maar als je dan vraagt wat dat is? Ik vind dat nog steeds puzzelen. En als ik dan de Bijbel lees is dit het plaatje dat ik krijg: dat de hemel eigenlijk gewoon ‘mooier’ is. In de zin van: het mooiste wat je hier kunt vinden, maar dan… mooier. En ergens vind ik dat ook wel logisch voor God. Dat Hij eerst de wereld heeft gemaakt en dat Hij ziet hoe mooi het is. Maar dat als Hij dan een stap verder gaat, dat het dan datgene wordt wat hier al mooi is, maar dan… mooier. Eigenlijk best wel een handige samenvatting van Gods toekomstplannen: ‘mooier’.
II.
Maar goed. Nu zegt de Bijbel al niet heel veel over de hemel, maar de Bijbel zwijgt natuurlijk helemaal als het over Rotterdam gaat. De Bijbel zegt niets over het Rotterdam van vandaag. Maar de Bijbel zegt wel wat over dé stad van vroeger. Over Rome. En Rome was het Rotterdam van vroeger. Echt waar. In Rome wil je zijn. Bij Rome wil je horen. En dat idee van Rome en hoe geweldig dat is, volgens mij speelt de Bijbel daarmee in dat stukje dat we vandaag lazen voor de preek. Dit is wat we lazen: [2] ‘Maar wij hebben ons burgerrecht in de hemel, en van daar verwachten wij onze redder, de Heer Jezus Christus.’
Wat je moet weten is dat de mensen aan wie deze woorden werden voorgelezen, dat die in Filippi woonden. Wat je moet weten is dat die stad Filippi, dat die een kolonie was van Rome (net zoiets als Capelle van Rotterdam – sorry). Wat je moet weten is dat als je een burger was van een kolonie van Rome, dat je dan dezelfde burgerrechten had als een burger van Rome zelf. Dat jij dan ook de bescherming genoot van de macht van Rome, de ‘Pax Romana.’ En dat je dan natuurlijk ook de bescherming genoot van het recht van Rome. Want ook jij was een Romein, want als burger in een kolonie was jij eigenlijk een burger van Rome. Vrede en zekerheid – gegarandeerd door de keizer himself. Als burger van Rome ben je binnen.
En precies dat zelfbewustzijn, die gezindheid, dat is waar de Bijbel hier mee speelt. Moet je horen: echt niet alle inwoners van de stad Filippi hadden die Romeinse burgerrechten. Echt niet alle gemeenteleden in Filippi hadden die burgerrechten. Alleen een Paulus en misschien nog een paar. Natuurlijk wilde iedereen het wel graag. Als burger van Rome ben je binnen. Maar de Bijbel brengt een ander evangelie. Dit evangelie: voor God maakt het geen fluit uit of jij burger bent van Rome, of van Rotterdam, of van Jeruzalem. Het kan allemaal honderd keer prachtig en mooi zijn, het telt gewoon niet mee. God heeft echt niks met onze macht of rijkdom of beroemdheid. Kijk maar naar Jezus. Hij was aan God gelijk, zo mooi en groot en rijk. Maar Hij gaf het op at your service. Om jouw slaaf te zijn. Burger van Rome? Quatsch. Burger van Jeruzalem? Poep. Rotterdammer? Geloof jij in Jezus, dat is de vraag. Want dan ben je ingeschreven in de hemel, bij God. Begrijp je het?
Rotterdam is mooi, de hemel is… mooier. Jouw leven hier mág mooi zijn. Echt waar. Als jij geniet, geniet dan ten volle. Als je jong bent, ga jezelf en ga het leven ontdekken. Maar neem dan alsjeblieft dit ene mee: Rotterdam is mooi, de hemel is mooier. En al dat moois dat hier valt te ontdekken, de mooiste ervaringen die je kunt meemaken – geloof God alsjeblieft wanneer Hij zegt: al dat moois is nog maar alsof je net begint met bergbeklimmen. Nog maar het begin. Wacht maar wat je gaat zien als je op de top staat. En als je dan op de top staat en denkt dat dat alles is, wacht maar tot je dan met een paraglider naar beneden zweeft, dan zweef je op de wind, gedragen door de Geest, door de kracht van Gods liefde. Ik zeg wat ik zeg: al het goede in dit leven is door God bedoeld om jou te verleiden. ‘Kijk, zegt God tegen je, mooi hè? Maar waar Ik jou voor heb bedoeld, echt waar, wacht maar af, is nog veel mooier.’
III.
Alleen heeft Rome wel een probleem. En Rotterdam ook. Ons leven hier heeft een probleem. En daar wil ik het wel met je over hebben. En het probleem van Rome is dat Rome een afgod kan zijn. Laat me dat uitleggen. Er waren toen mensen die zo blij, die zo trots waren op Rome en alles waar Rome voor stond, dat ze van Rome een afgod maakten. Echt waar. Want die zekerheid die Rome bood, die veiligheid, die rijkdommen ook en die mogelijkheden om rijk te worden – kennelijk zitten jij en ik zo in elkaar, dat wij dan denken dat het Rome is dat ons beschermt, dat ons rijk maakt, dat ons voorspoed geeft en geluk. Echt waar. In de stad Filippi stond een standbeeld van de keizer met de woorden ‘onze redder en heer!’ Snap je hem? Wie is onze redder? Wie garandeert ons leven? Waar vinden we de bodem onder ons bestaan, de basis van ons geluk? Wie zullen wij dus volgen in leven en dood? Heil Caesar! Onze redder en heer.
Rome kan een afgod zijn. Wij kunnen van mensen en dingen hier en nu onze afgod maken. Dus Rome heeft een probleem. En Rotterdam heeft nog een probleem. Want: Rotterdam kan kapot. En Rome ook. Rotterdam kan kapot. Dan heb ik het natuurlijk over 14 mei 1940, om 3 voor half twee. 711 of meer mensen gingen kapot, en nog veel meer mensenlevens en dieren en gebouwen. Kapot. En Rotterdam is niet uniek. Hier rijmt Rotterdam op Guerníca, op Londen, op Dresden, op Hiróshima en op Beiroet, op de stad van de mens. Het kan blijkbaar allemaal kapot. Mensen kunnen blijkbaar kapot. En ik. En jij. Alle moois kan blijkbaar kapot. Sorry, jongens, dat ik even het feestje vandaag onderbreek. Ik moet het wel doen, want God heeft ons gevraagd om in de kerk eerlijk te zijn met elkaar. Dus als jij vandaag je ja-woord geeft aan God, dan wil God dat ik jou vertel dat je daar goed aan doet, maar dat het niet automatisch gemakkelijk wordt. Ons leven, ons mensenleven zit zo in elkaar, dat het kapot kan. Relaties kunnen kapot, carrières kunnen kapot, de cellen waaruit jij bestaat, die kunnen kapot. Puinhoop.
‘Maar wij hebben ons burgerrecht in de hemel, en van daar verwachten wij onze redder en heer, Jezus de koning.’ Snap je hem? Ja, Rotterdam, honderd keer mooi, Rotterdam kan kapot. Dus wat ga jij doen? Ga je nog harder werken? Ga je nog beter je best doen? Zoek je nog meer veiligheid bij mensen? Bij de Maaslandkering? In het Erasmus en het IJsselland? Gaan dat je afgoden wezen, je zekerheden? Als Paulus hier op het moment dat Rome op het hoogtepunt is van zijn macht hardop zegt dat hij het verwacht van koning Jezus als redder en heer, dan is dat een daad van verzet. Als jij vandaag voor God en voor mensen belijdt dat jij jezelf ziet als een burger van de hemel, dan is dat een daad van verzet. In voor- en tegenspoed, ik hoor bij Jezus. Alleen Hij is mijn redder en heer, en dat mag de hele wereld weten. Ja.
IV.
Tot slot. Rotterdammers, dat zijn we samen. Nederlanders, wat ze ook schreeuwen, dat zijn we samen (helemaal bij 5-1). En je raadt het, ook burgers van de hemel zijn we samen. Dus wil ik jullie hier vooraan vandaag iets vragen. Ik wil jullie iets vragen en ik wil jullie iets toezeggen. Ik vind het leven wel eens ingewikkeld. Ik vind geloven wel eens moeilijk. Ik snap God soms niet helemaal. Als ik weer iets in mijn omgeving kapot zie gaan. Dan snap ik het niet. Of dan vertrouw ik zomaar liever op mijn geld dan op God. Of op mijn dokter dan op God. Wat ik je wil vragen is of ik jou dan mag bellen. Begrijp je? En dat jij dan naar me luistert en zegt: en toch, Rinze, gaan we samen naar God. Gaan we samen naar Jezus. Ik wil jullie vragen of we dat voor elkaar kunnen betekenen. Want dan beloof ik van mijn kant dat je mij altijd mag bellen. 06 11 78 45 07. En je kunt Bas altijd bellen. En de FM-medewerkers. Of eigenlijk iedereen wel in Scipio. Voor een eerlijk gesprek. Als we weer eens op een afgod geknald zijn. Of als ons weer eens iets uit handen valt – kapot. En dan vragen we God erbij. Want wij verwachten het van onze redder en Heer, Jezus Christus. Enne – vergis je niet. Wie de Heer als helper heeft, kent geluk en kan vertrouwen op zijn God die redding geeft. Mooi, man. En het wordt nog mooier.
Amen.