22 februari 2026 – Lucas 3 – Geloof en werk

Votum en groet

Zingen:              Opwekking 518, Heer U doorgrondt en kent mij

Opwekking 798, Wij zijn het volk van God (Houd vol)

Leefregels

Bijbellezing:   Romeinen 6: 2b-14

Zingen:              Lied 641: 1, 2, 3, 4, Jezus leeft en ik met

Bijbellezing:    Lucas 3: 1-22

Zingen:              NPB Psalm: 2: 1, 2, Wat willen al die wereldleiders toch?

Preek                 Lucas 3: 10-14

Zingen:              Lied 370: 1, 2, 3, Vader, die woont in hemels licht

Gebed

Collecte

Zingen:              Opwekking 642, Al mijn zonden

Zegen

Lucas 3: 10-14

I.

[1] Het gaat vandaag over geloof en werk, oftewel over de kloof die iedereen voelt tussen je geloof op zondag en je doordeweekse taak op maandag tot zaterdag. Want wat je op zondag moet en doet met God is duidelijk. Dan ga je samenkomen en bidden en zingen en luisteren en samen blij zijn en samen verdrietig zijn – dat is helder. Maar wat je dan op maandag moet, dat is de vraag. Wat je dan moet met je geloof, bedoel ik. Als gelovige. Is het de bedoeling dat je alle mensen die je tegenkomt, dat je die gaat bekeren? Al je collega’s en je klanten, de mensen op de sportschool en de buren in je straat? Of is het de bedoeling dat jij met wat je doordeweeks aan taken hebt, zeg even, de wereld gaat redden – of in elk geval verbeteren? Want voor de duidelijkheid: dat zijn natuurlijk mooie dingen; de wereld verbeteren, mensen over Jezus vertellen. Alleen: als ik mijn mail zit te beantwoorden of bezig ben met mijn belastingformulieren – tsja, dat is dan veel meer doordeweeks.

De reden dat we vanmorgen over geloof en werk nadenken aan de hand van Lucas 3, aan de hand van die woorden van Johannes de Doper, is dit: dat Johannes hier verrassend concreet en klein en down-to-earth praat over wat hij van je verwacht. Johannes komt echt naast je staan. [2] Met de voeten in de modder. In de chaos van de wereld om je heen. En kennelijk kan dat. Kennelijk kun je niet alleen maar grote en mooie verhalen vertellen over geen duimbreed waar Christus geen koning is, maar kennelijk kun je in de Bijbel ook verhalen lezen, uitspraken vinden, die over jou en mij gaan, wanneer het leven van elke dag wel eens wat minder glad en glimmend is dan al die grote woorden. Het gaat over geloof en werk. Mijn boodschap is eigenlijk: Johannes staat naast je, in de modder, in de chaos van de wereld om je heen.

II.

Eerst even over die modder, en dan over die chaos in de wereld. [3] Zeg, dat zijn geen Florence Nightingale’s en dat zijn geen ridders op witte paarden, die bij Johannes langskomen met die vraag, hoe ze hun dagelijks werk moeten verbinden aan hun geloof. Het zijn tollenaars en huursoldaten. [4] Tollenaars zijn zzp’ers die voor de Romeinen werken. Nou, dan zit je meteen al tot over je nek in de modder. Werken voor de Romeinen. Bovendien: als belastinginner werkte je in een pachtsysteem. De Romeinen bepaalden het bedrag dat ze ergens wilden binnenkrijgen aan belasting. Als tollenaar kon je dan bieden op het recht om die belasting te innen en als je dan het meeste bood, werd jij dat jaar de tollenaar. En hoe meer jij van de mensen binnenhaalde, hoe meer jij er aan overhield.

En huursoldaten. Ja, of zoiets dan. Weet je, het is me een beetje onduidelijk wat voor soldaten hier nu bij Johannes aankloppen. Zijn dat Romeinse soldaten? Maar het zijn toch Joden die bij Johannes aankloppen? Zouden er echt meerdere Romeinse soldaten geweest zijn, die zich voor de God van de Joden interesseerden? Of waren het soldaten in dienst van de lokale vorst Herodes, en dus van huis uit Joodse mannen? Ik weet het niet precies. Wat we wel weten is dat hun werk gepaard ging met afpersing en met omkooppraktijken. In dienst van een bepaald niet gelovige overheid. Dus hoe dan ook: midden in de modder. Maar Johannes staat naast ze.

Dan even over de chaos in die wereld. Lucas, als hij het verhaal van Johannes verteld, begint met Johannes te plaatsen in de wereld van toen. In de chaos van de wereld van toen. De chaos van een heidens Rome en een onheilig Jeruzalem. [5] Lucas begint met het noemen van keizer Tiberius. Keizer Tiberius zag zichzelf als een god. Nou, berg je maar, wanneer machthebbers zich als een god gaan gedragen. Lucas vervolgt met het noemen van Pontius Pilatus. Een Romein, een man met een heidense agenda, is de baas in Jeruzalem. Hoe moet dat aflopen? En dan nog een setje viervorsten, halfkoningen, in de rest van het land. Kortom: chaos. De ene minderheidsregering na de andere ter plaatse, met  een onvoorspelbare supermacht op de achtergrond. Chaos. En geestelijk gezien was het niet beter dan in de politiek. Lucas noemt twee hogepriesters. Wat, twee? Dat klopt toch niet? Nee, dat klopt niet. De tempel is innerlijk verdeeld, dus ook de geestelijke leiding is chaotisch. En net in die tijd treedt Johannes op. Treedt God op. Gaat hij naast mensen staan. Gaat hij bij wijze van spreken naast jou staan. Heel concreet. Heel dichtbij. In de modder.

III.

Maar waarom kies ik er mét Johannes voor om dit kleine en concrete verhaal te vertellen, als het gaat over geloof en werk? Waarom in de modder? Is er niet soms een mooi verhaal, een groot verhaal over God en over de wereld, waarin wij dan ook een rol spelen? Ja, dat verhaal is er ook. [6] Het verhaal van hoe God zelf de wereld gemaakt heeft. [7] Zodat het vanaf het begin duidelijk is, dat er iets moois in de wereld zit. Dat een mens mag verwachten dat er iets moois van te maken is. Sterker nog: dat is vanaf het begin de opdracht die God, de originele schepper, aan ons, aan zijn medewerkers meegeeft: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag: heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen.’

En mooi is ook waar het op uitloopt in de Bijbel. Een andere Johannes, niet de doper, maar die van de openbaring, krijgt het te zien, dat het met de wereld uitloopt op een nieuwe moederstad, [8] een nieuw Jeruzalem. ‘De volken zullen in haar licht leven en de koningen op aarde brengen daar hun eerbewijzen. De volken zullen er al hun eerbewijzen komen brengen.’ Er is een sterke traditie die bij die eerbewijzen die het nieuwe Jeruzalem ontvangt, ook denkt aan allerlei uitvindingen, alle technische en culturele en wetenschappelijke hoogstandjes. Die worden allemaal het nieuwe Jeruzalem binnengebracht. Hoe gaaf is het niet om jezelf als mens onder de koepel van dat grote verhaal bezig te zien. [9] Dat jou werk van alledag daar een plek in heeft. Tussen dat begin en dat einde. Hoe gaaf is dat? Een mooi verhaal.

En misschien hè, als jij een mooie doordeweekse taak hebt, misschien in de zorg of het onderwijs of een heel andere branche binnen het algemeen belang, of ook,  als God jou elke dag stevige verantwoordelijkheden toevertrouwt, hetzij in geld, hetzij in mensen: ik gun het je, dat jij dan denkt: vandaag ga ik er op uit zijn het goede te doen in deze wereld,  die van God is. En dan moet jij dat natuurlijk vooral doen. Het goede in deze wereld van God. Een minischepper in de schaduw van de grote schepper. Of in zijn licht, dan. Doén! ‘Wat moeten wij doen?’ Doe vooral dat maar. Het goede, in Gods wereld van doordeweeks, onder zijn zegen.

IV.

Maar. Ik ben nou al een tijdje dominee. Dominee zijn is makkelijk scoren: geen enkele kloof tussen geloof en werk, wat je doet is rechtstreeks te zien als dienst aan God. Easy peasy. Maar toen ik nog schoonmaker was in de melkfabriek, toen was dat wel anders. Onduidelijk werk, met veel koffiedrinken en rookpauzes. Met de voeten weliswaar niet in de modder, maar wel in allerlei andere troep. Niet echt wat je noemt materiaal voor de eeuwigheid. Niet echt een mooi verhaal. Of ook: één van mijn dochters werkt voor een bureau dat bemiddelt tussen zorgmedewerkers en instellingen. Als ik dat zie, dan zijn die medewerkers en die zorginstellingen wel oké, maar dat daartussen een gouden bureau zit… nou ja, ik moet hier natuurlijk niet iets zeggen waardoor zij haar baan kwijtraakt, maar blij word ik er niet van. Redelijke modder, lijkt mij. [10] Soms is het gewoon ploeteren in de modder.

En weet je, daarom ben ik zo blij dat Johannes het hier heeft tegen gewone mensen, mensen zoals jij en ik. Mensen die soms zomaar met hun voeten in de modder staan. Dat je wel allemaal mooie verhalen kunt vertellen over God en zijn eeuwige plan. Maar dat dat dan net niet gaat over wat jij doordeweeks doet, wat jij doordeweeks meemaakt. En dat jij dan wel eens denkt: wat heeft God hiermee te maken? Hoe overbrug ik de kloof tussen God en mijn werkdag, tussen zondag en doordeweeks? – Dat dan Johannes de doper naast je komt staan. In die modder. En tegen je zegt, niet: zoek eerst maar een mooiere baan, dan praten we verder! Niet: ga jij eerst maar eens wat heiliger leven, dan praten we verder. Klim eerst maar een beetje omhoog, dan praten we verder. Nee. In deze modder. Hier en nu. In deze shit, soms. Van jouw soldatenleven. Van jouw grijze en soms donkergrijze werk. Hier praten we verder.

En dat hij dan daar met jou begint. Ben je soldaat? Pers dan niemand af en laat je niet omkopen. Begin waar je bent: jij met die klachten van je, kun je dan soms niet de goede dingen doen met je soldij as is? Of ben je tollenaar? Oké, belasting moet nu eenmaal betaald, maar moet jij per se rijk worden van een ander zijn armoe? Nee toch? Of ook in het algemeen. Als God jou zegent met een inkomen en onderdak, met kleren en met eten en drinken – wat als jij nu iemand opzoekt die het minder heeft dan jij en dat jij dan die z’n eerste levensbehoeften op je neemt. Dat kan toch gewoon? Je bent dus wel eens verlegen met je taken van alledag als je denkt: wat heeft dit nog met God te maken? Het is oké, zegt Johannes. Ik sta naast je. Wat houdt jou tegen om op jouw plek goed te doen? Goed te zijn voor mensen om je heen? Beter te maken, in plaats van slechter, op te bouwen, in plaats van af te breken? Doe dat eens, en je ontdekt dat Johannes naast je staat, met twee duimen omhoog. En die boodschap geef ik jou graag door.

V.

Alleen… het verhaal van Johannes dat we lazen, gaat nog wel verder. Eerst gaat het zo verder, en dit is behoorlijk schrikken: ‘Het volk was vol verwachting, en allen vroegen zich af of Johannes misschien de messias was, maar Johannes zei tegen hen: ‘Ik doop jullie met water, maar er komt iemand die machtiger is dan ik. Hij zal jullie dopen met de heilige Geest… en met vuur; Hij houdt de wan in zijn hand om zijn dorsvloer te reinigen, het graan zal Hij bijeenbrengen in zijn schuur en het kaf in onblusbaar vuur verbranden.’ Dat klinkt onheilspellend. Wat heb ik eraan dat Johannes naast mij is komen te staan in de modder van mijn bestaan, als ik straks wel tegenover de messias kom te staan, tegenover de Koning als hij komt? Daar helpt geen onderdompelen tegen, want de modder kleeft mij aan.

Maar let op, want dit is wat er dan gebeurt. Daar komt Hij het verhaal binnengestapt, Hij, de sterkere, machtiger nog dan Johannes. Daar komt Hij, de Koning, met wan en met bijl in zijn hand. Daar komt Hij… en knielt naast míj neer. [11] Ook Hij laat zich dopen. Hij! Alsof dat nodig was voor Hem! Nee, inderdaad. Hij had dat niet nodig. Maar Hij, de heilige, Hij liep mij niet voorbij, toen ik Johannes vroeg de modder van mij af te wassen. Hij liep mij niet voorbij, maar Hij kwam naast mij staan en knielde neer en onderging de doop die ik had moeten ondergaan. Die wij allemaal hadden moeten ondergaan. Hij raakte mij aan en kijk dan, niet mijn modder maakt Hem vies, maar zijn schoonheid reinigt mij. Wij zijn in zijn dood gedoopt en wat honderd wasbeurten niet kunnen, doet zijn Geest die leven geeft: Hij maak mij als nieuw.

VI.

En nu? Dit: geloof en werk. [12] Geloof maar en werk maar.Geloof dat Hij het is, die het grote werk zal doen. Die een eind gaat maken aan de machten van de chaos, de chaos in de wereld en de geestelijke wanorde, ja zelfs aan de dood. Kan Hij dat dan? Ja, joh, lees maar mee: ‘Toen ook Jezus was gedoopt en Hij aan het bidden was, werd de hemel geopend en daalde de heilige Geest in de gedaante van een duif op Hem neer, en klonk er een stem uit de hemel: ‘Jij bent mijn geliefde Zoon, in Jou vind Ik vreugde.’ Geloof me, Hij zal het grote gevecht aangaan. Hij is het grote gevecht aangegaan. Hij heeft de machten van de chaos en de dood overwonnen. Bij Hem gaat het beheer ‘over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alles wat op de aarde leeft,’ in goede handen zijn. Je hebt gelijk: er is nog een kloof tussen wat we geloven en wat we zien. Tussen wat we op zondag belijden en wat we op maandag ervaren. En die kloof, die ga jij niet overbruggen en die gaan wij niet overbruggen, hoe goed we ons best ook doen, hoe goed ons werk en onze bedoelingen ook zijn. Maar ik geloof dat Hij zelf naast mij is komen staan. In deze modder van mij. En met dat geloof van vandaag kan ik morgen aan het werk. En jij ook. Geloof  en werk.

Amen.

Scroll naar boven