Welkom
Votum en groet
Zingen: Opwekking 671, U schiep zon en maan en sterrenpracht
Leefregels Exodus 20: 1-17, Matteüs 22: 37-39
Zingen: DNP Psalm 80: 1, 3, 6, Hoor naar ons bidden, trouwe herder
Gebed
Bijbellezing: Johannes 15: 1 – 17
Zingen: Lied 653: 1, 5, 7, U kennen, uit en tot U leven
Preek Johannes 15: 5
Zingen: Opwekking 798, Wij zijn het volk van God
Gebed
Collecte
Zingen: Opwekking 818, Eenmaal maakt U alles weer nieuwZegen
Johannes 15, 5.
[1] I.
[2] Toen ik een tijdje geleden ziek was, was dit een van de gekke dingen die ik meemaakte: ik had grote grauwe vlekken in mijn geheugen en dat maakte me erg bang dat ik herinneringen voorgoed kwijt zou zijn. Ik werd toen bij voorbeeld opeens heel paniekerig of ik allemaal oude foto’s met mijn kinderen nog wel op de computer had staan. Maar tegelijk was het ook groter dan dat. Want als je geheugen er zomaar vandoor kan gaan – hoe houd je dan vast aan de mensen om je heen? En hoe houden zij aan jou vast? Wie ben je nu helemaal, als je zo gemakkelijk kunt vergeten en ook vergeten worden? En als ik me niet vergis is die grote vraag, een vraag die ook jou wel eens kan overvallen. Wie ben ik nog als ik vergeet? Als ik vergeten word? Gelukkig had ik alle foto’s nog, is mijn geheugen grotendeels terug (geloof ik tenminste) en ben ik werkelijk ook niet vergeten. Niet zeuren, IJbema.
Ik heb een vermoeden dat onze Heer Jezus op een niet-bange manier met dezelfde vragen is bezig geweest. Op een niet-bange manier: geloof me dat Hij geen moment bezorgd is geweest dat Hij jou zou vergeten. Hemel en aarde mogen voorbijgaan, maar Hij gaat jou en mij niet vergeten. Hij heeft geen harde schijf nodig om alles wat Hij met jou en mij heeft meegemaakt op te slaan: Hij bewaart het allemaal in zijn hart. Niks verdwijnt in hersenschimmen. God zij dank. Maar ik denk wel dat Hij mijn zwakheid kent en onze vergeetachtigheid. Ik denk dat onze Heer daarom bewust is bezig geweest om wél over zijn graf heen te regeren. Ik denk dat Hij hier, in deze gesprekken in Johannes 15, bezig is zijn erfenis veilig te stellen. En zijn erfenis is: zijn relatie tussen Hem en jou en mij, zijn verbondenheid met zijn nieuwe volk. Ik denk dat Jezus hier bezig is met zijn Nieuwe Testament. Vergeet Mij niet. Ik zal vandaag proberen die erfenis aan je door te geven. Dat Nieuwe Testament.
II.
[3] Zoals je weet hebben we in een aantal kerkdiensten tussen Kerst en Pasen aandacht voor de zeven keer dat Jezus zegt ‘Ik ben.’ Op die manier proberen we het leven van de Heer te volgen aan de hand van een aantal teksten uit het Evangelie van Johannes. We hebben op Oudejaarsdag tot ons laten doordringen wat het betekent dat Jezus zegt: ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven.’ We hebben bij het Avondmaal stilgestaan bij zijn woorden: ‘Ik ben het brood dat leven geeft.’ In het donker van februari hebben we ons getroost met zijn uitspraak: ‘Ik ben het licht van de wereld.’ (Trouwens gefeliciteerd met de lente!) En twee weken later proefden we iets van wat het betekent bij het ene volk van God te horen, toen Jezus zei: ‘Ik ben de goede herder.’ Zo komen we vandaag bij deze woorden: ‘Ik ben de ware wijnstok.’
Terugkijkend heb ik twee dingen opnieuw ontdekt in de afgelopen weken. Als eerste dat als Jezus zegt ‘Ik ben,’ dat dan de echo klinkt van Exodus 3, waar God zelf zegt: ‘Ik ben Jahwe.’ ‘Ik ben Ik ben.’ De God die is. De God die heilig, is maar ook heel dichtbij. Al die beelden, al die karakteristieken waarmee Jezus zichzelf identificeert, die identificeren Hem als, ja zeg het maar… Als de opvolger van de God van het Oude Testament? Maar de eeuwige God heeft natuurlijk niet echt een opvolger nodig. Hij blíjft gewoon. Maar wat is Jezus dan, als Hij claimt: ‘Ik ben?’ Wie is Hij dan? Beweert Hij dan dat Híj die God is in dit mensenlichaam van Hem? Is dat wat Johannes wil claimen? Maar hoe kan een mens zo aan het goddelijke verbonden zijn? ‘Ik ben -’ het is een hoge claim. Maar het is wel de claim. In Jezus maak de oude God een nieuw begin. Dat is het eerste: hier is God. [4]
[5] Het tweede dat ik ontdekt heb ligt in het verlengde daarvan. Heel vaak blijkt Jezus met zijn woorden bij vroeger aan te sluiten. Hij pakt met liefde oudtestamentische beelden op, met alle associaties die erbij horen, om ze een nieuwe uitleg te geven. Of eigenlijk, nu ik erover nadenk… Eigenlijk geeft Jezus juist niet ‘een nieuwe uitleg.’ Eigenlijk laat Jezus steeds zien hoe Hij de vervúlling is van al die beelden van vroeger. Jezus zegt niet: vergelijk Mij voor het gemak maar met dit en dat van vroeger, want dát bepaalt wat Ík ben. Nee, andersom. Jezus claimt dat Hij de vervulling is van al die beelden van vroeger. Dus dat Hij met terugwerkende kracht bepaalt wat al die dingen vroeger eigenlijk waren. Bij nader inzien was in het manna van vroeger Hij bij ons. Het licht van de schepping is maar een flauwe weerspiegeling van wie Jezus is, hét licht dat leven geeft. Dus als eerste: als Jezus zegt ‘Ik ben’, dan claimt Hij dat Hij God is. En als tweede dat Hij steeds laat zien, hoe Hij de vervulling is van alle oude [1 2 3 4] geschiedenissen en verhalen en beelden en functies. Wat was is zijn schaduw. Hij is het echte werk.
III.
[6] Het is de moeite waard om ook bij déze woorden van Jezus zo terug te kijken. ‘Ik ben de ware wijnstok.’ Als onze Heer ook hier het echte werk is, wat is dan de voorafschaduwing? Wat was de interim-wijnstok, voordat in Hem de echte wijnstok verscheen? – We hebben zonet uit Palm 80 gezongen en het lijkt me dat dat het beeld is waarbij Jezus aansluit. In Psalm 80 wordt het volk Israël vergeleken met een wijnstok. God had deze plant zelf uitgegraven in Egypte en hem een plek gegeven in het beloofde land, waar hij was als een boom, geplant aan waterstromen, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, welks loof niet verwelkt, alles gelukt.
Behalve dan dat niet ‘alles gelukt.’ Het gaat mis met de wijnstok, met de wijngaard, die Israël is. Dat wordt niet alleen beschreven in Psalm 80. Dat staat ook in Jesaja 5. Dat hoofdstuk, Jesaja 5, heet ‘het lied van de wijngaard’ en het beschrijft precies wat Psalm 80 ook al vertelt. Inclusief het verdrietige einde: de wijnstok verwildert, de wijngaard verkwijnt, onbeschermd, geplunderd, verbrand. En Jezus, ook op andere momenten, gebruikt dit beeld van Jesaja 5 en van Psalm 80, om de situatie van het volk Israël in zijn eigen tijd te beschrijven. [7] En Hij wijst daarbij ook de leiders van het volk op hun verantwoordelijkheid. Want de eigenaar van de wijngaard zal zeker komen om zelf in te grijpen en alles recht te zetten.
En nu is het heel goed mogelijk om tegen deze achtergrond de woorden van de Heer hier, hun betekenis te geven. ‘Ik ben de ware wijnstok.’ Je moet weten dat de Heer deze woorden spreekt op een bijzonder moment. Het was kort voor het pesachfeest. In Johannes 13, twee hoofdstukken hiervoor, lezen we: ‘Jezus wist dat zijn tijd gekomen was en dat Hij uit de wereld terug zou keren naar de Vader. Toen had Hij de mensen die Hem in de wereld toebehoorden lief, en zijn liefde voor hen zou tot het einde gaan. Dus legde Hij zijn bovenkleed af, sloeg een linnen doek om en begon de voeten van zijn leerlingen te wassen, en droogde ze af met de doek die Hij had omgeslagen. (Als Hij de weg weet met mijn voeten, dan weet Hij ook de weg wel met jouw tranen.)’ Dat is Johannes 13, ergens op een bovenverdieping in de stad Jeruzalem. De volgende plaatsbepaling vinden we in Johannes 18, waar Jezus de beek Kidron oversteekt, aan de oostkant van Jeruzalem, waar Hij wordt gevangengenomen. En daar tussen in zitten deze gesprekken van Johannes 14 tot en met 17, [1 2 3] de tafelgesprekken, de gesprekken onder het lopen, de gebeden. Allemaal fragménten. Maar Johannes hoorde alles. En Johannes schreef het op. Alsof Johannes toen al wist: dit wordt het Nieuwe Testament.
Wanneer het Oude Testament het oude volk van God, Israël, vergelijkt met een wijnstok, dan ligt het voor de hand de woorden van Jezus hier, te zien als de vervulling van die oude uitspraken. Israël was echt het volk van God, zijn koninkrijk. Maar Jezus is het nóg echtere werk, de vervulling van wat ooit was maar ook verkwijnde. En deze wijnstok heeft net als die van vroeger twaalf ranken – o nee, elf, want één wijnrank was net afgevallen, Judas, weggesnoeid. ‘Ik,’ zei Jezus tegen zijn discipelen, ‘ben de wijnstok en jullie zijn de ranken.’ ‘Ik,’ zegt Jezus tegen zijn discipelen, ‘claim hier en nu het koningschap over Israël en over de wereld. Ik eis het koningschap van deze wereld op voor God. En jullie zijn mijn ranken. Blijf in Mij en, jongens, je gaat vrucht dragen. Tientallen, wat zeg ik, honderden, wat zeg ik, kijk ze dan zitten in ‘De Rank’, o nee, sorry, dat was vroeger, ik bedoel in de Ichthuskerk, tweeduizend jaar na dato, vruchten overal.’ ‘En misschien zal God jullie onderweg moeten snoeien,’ zei Jezus, terwijl Hij Petrus in de ogen keek, ‘maar jullie zijn het fundament en op jullie ga Ik het nieuwe, het wereldwijde volk van God bouwen.’ [8] Dat is wat er gebeurt als Jezus zegt: ‘Ik ben de ware wijnstok.’ Ik ben de ware wijnstok.
IV.
En toch heb ik het gevoel dat Jezus hier meer bedoelt. Dat Johannes hier meer bedoelt. Dat Johannes hier verder kijkt. Dat Jezus hier vooruit kijkt. Van Jezus is dat duidelijk. Hij weet dat ook Hij gerooid gaat worden en hoe dichterbij het komt, hoe meer de angst Hem aangrijpt. Maar Hij weet dat als Hij de angst in de ogen kijkt, dat Hij erdoor zal komen, dat God Hem erdoor gaat slepen. Deze wijnstruik zal niet verbranden. Zijn verhaal en zijn koninkrijk gaan hier niet hun laatste hoofdstuk schrijven, maar God gaat hier een blad omslaan, voor een heel nieuw begin, een heel Nieuw Testament. [9] Ik denk dat onze Heer [1 2 3] in deze gesprekken, in deze beelden, in deze gebeden een nieuw fundament legt: dit moet je weten om behouden te worden, neem dit ter harte, blijf dit herlezen, blijf net zo lang over deze woorden mediteren totdat ze een deel van je leven worden. Een deel van je leven worden. Ja, ik zeg dat twee keer, omdat het twee betekenissen heeft. Deze woorden van Jezus moeten een deel van enerzijds je dagelijkse leven worden, omdat ze anderzijds je laten delen in dat Leven met een hoofdletter. Het zijn: zijn woorden die je rein maken.
En volgens mij heeft Johannes dat door. Johannes die het eigenwijze lef heeft om zijn boek te beginnen met de woorden: ‘In het begin…’ Vergeef me als ik Johannes eigenwijs noem. Ik doe dat om jou wakker te schudden. Want jíj vindt dat heel gewoon, dat het evangelie van Johannes zo begint. ‘In het begin…’ Wordt wakker, man! Wie heeft nu het lef om in Israël een boek te schrijven dat zo begint! Wie denk je dan wel niet dat je bent? Je bent toch zeker God zelf niet! Tenzij je het wel bent. Tenzij je Jezus bent en zegt: ‘Ik ben.’ Ik ben het licht van het begin – maar dan echt. Ik ben de goede herder – maar dan echt. Ik ben het brood – van het leven. En Johannes heeft Jezus begrepen. In Hem maakt God een nieuw begin. En Johannes zijn hand, eerst bevend, dan steeds vaster, weet wat hij moet doen en schrijft: ‘In – het – begin – was – het – Woord, het – Woord – was – bij – God – en … het – Woord – was – God. Het was in het begin bij God. Alles is erdoor ontstaan, zonder het Woord is niets ontstaan van wat bestaat. Dit Woord is vlees geworden en het heeft in ons midden gewoond, vol van genade en waarheid (‘waarheid,’ want: het Woord was het echte werk, de vervulling), en wij hebben zijn grootheid gezien, de glorie van de enige Zoon van de Vader.’ En Johannes heeft het allemaal opgetekend, ‘opdat jij door te geloven leven ontvangt door zijn naam.’
V.
Dit is hoe Jezus de Heer contact wil houden met jou, een nieuw verbond wil sluiten met jou, wil blijven in jou. En Hij gaat jou echt niet vergeten. Hij dacht aan jou toen Hij in zijn koninkrijk kwam. Maar jij, vriend, hoe ga jij Hem niet vergeten? Wat kan ik je meegeven, zodat ook jij in Hem blijft? Zal ik aansluiten bij de grote Johannes en jou adviseren je te oefenen in de liefde van Jezus? Want dat is wat Johannes adviseert, wat hij van Jezus doorgeeft. ‘Blijf in zijn liefde.’ Of zal ik je de Heilige Geest toebidden, zoals Johannes vertelt dat Jezus het zelf doet? ‘Ontvang mijn Geest.’ En ik zou je natuurlijk graag uitnodigen om niet alleen van Kerst tot Pasen onze Heer te volgen, maar ook daarna, op weg naar Pinksteren en daar voorbij. Maar ik dóe het niet. Ik houd gewoon mijn mond. De Heer zelf wil je iets vertellen en ik geef alleen maar door wat ik zelf ontvangen heb.
‘Toen het tijd was, ging Hij samen met de apostelen aanliggen voor de maaltijd. Hij zei tegen hen: ‘Ik heb er hevig naar verlangd dit pesachmaal met jullie te eten voor de tijd van mijn lijden aanbreekt. Want Ik zeg jullie: Ik zal geen pesachmaal meer eten totdat het zijn vervulling (‘vervulling’ – het echte werk moet nog komen!) – zijn vervulling heeft gekregen in het koninkrijk van God. Hij nam een beker, sprak het dankgebed uit en zei: ‘Neem deze beker en geef hem aan elkaar door. Want Ik zeg jullie: vanaf nu zal Ik niet meer drinken van de vrucht van de wijnstok tot het koninkrijk van God gekomen is.’ En Hij nam een brood, sprak het dankgebed uit, brak het brood, deelde het uit en zei: ‘Dit is mijn lichaam, dat voor jullie gegeven wordt.’ Zo nam Hij na de maaltijd ook de beker, en zei: ‘Deze wijn, die voor jullie wordt uitgegoten, is het nieuwe verbond (psst, er staat ‘nieuwe testament’), dat door mijn bloed gesloten wordt. Doe dit, telkens opnieuw, om Mij te gedenken.’ [10] Om Mij te gedenken.
Ik ga Hem niet vergeten. Ik zeg alleen maar amen.
Amen.