26 juli 2026 – Filemon – Slavernij

Votum en Groet

Zingen:              NPB 124: 1, 2, 3 [Was er geen hulp gekomen van de Heer]

                              Opwekking 794 [Ik hoor een melodie als een symfonie]

Leefregels

Zingen               Gezang 170: 1, 2, 3, 13 [Gedenk, o volk, met heilig beven]

Gebed

Bijbellezing:    Filemon

Zingen:              Opwekking 832 [Waar U verschijnt, wordt alles nieuw]

Preek                 Filemon vs. 21

Zingen:              LB 1973 Lied 26: 1, 2, 4 [Daar is uit ’s werelds duistre wolken]

Belijdenis van het geloof

Zingen:                             Opwekking 851 [Heer, wij dwaalden in het donker]

Gebed

Collecte

Zingen:                            Lied 168: 1, 2, 3, 4 [When Israel was in Egypt’s land]

Zegen 

I.

Het gaat vanmorgen over slavernij [2] en de aanleiding voor deze preek is een vraag op de belijdeniscatechisatie. Dat was deze vraag: de Bijbel is toch wel tegen slavernij? En ik dacht meteen: natuurlijk is de Bijbel tegen slavernij. Toch? Daar kan de Bijbel toch niet voor zijn? De kérk heeft wat slavernij betreft fouten gemaakt, door het te accepteren, door het goed te praten en door er deel aan te nemen, dat is al erg genoeg. Maar de Bijbel is toch wel tegen, in dit geval? God is toch wel tegen, in dit geval? Weet je, ik begrijp dat de Bijbel andere keuzes kan maken dan ik en ik begrijp helemaal dat God andere keuzes kan maken dan ik. [.] Dit ben ik, [-] dit is de Bijbel en [0] dit is God – natuurlijk is mijn toevallige gewetentje niet zomaar doorslaggevend. Maar ik snapte deze vraag wel: Bijbel of niet, je kunt toch niet met goed fatsoen voor slavernij zijn? Slavernij!?

God zij dank staat in de Bijbel de brief van Paulus aan Filemon. Ik zeg je, als je de hele Bijbel kwijt zou raken en je had alleen nog de bladzijde met Filemon erop, dan nog zou je kunnen begrijpen wie God is, wie Jezus is, wie jij bent en wie de mensen om je heen zijn. De hele Bijbel in een notendop. Het is geen geheim dat ik een beetje een Paulus-fan ben, maar serieus, dit is volgens mij Paulus op zijn best. Ik ga het niet doen, maar je kunt elk woord van deze brief optillen en omkeren en bestuderen en ontdekken dat dit precies het juiste woord is op deze plek, met inderdaad al die betekenissen en associaties die je eraan kunt ontdekken. En dan: de held van de brief, Filemon! Wat een held! Wat, een held? Maar wacht even: Filemon is toch een slavenhouder? Maar wat voor held ga je zijn dan? Oké, laten we beginnen.

II.

[3] Stelling 1: de Bijbel is tegen slavernij. Ja, dat is stelling 1. De Bijbel is tegen slavernij. Want kom op jongens, niemand met een beetje verstand kan de Bijbel lezen en dan aan het eind het boek dichtdoen en zeggen: ‘Weet je wat, laat ik een aantal mensen gevangen nemen of overkopen en dat die dan de rest van hun leven mijn eigendom zijn, met mij als baas over wie ze zijn en over wat ze doen en willen en denken en voelen, en ik mag met ze doen wat ik wil, met hen en met hun kinderen en kleinkinderen enzovoort. Als je dat denkt dan heb je de Bijbel niet goed gelezen en dan heb je God niet goed begrepen. Lees maar even mee.

Het begint met Genesis. [4] Dat heb jij vast wel eens gelezen. En elke keer opnieuw als je in het begin begint, wat lees je dan? ‘God schiep de mensen naar zijn beeld.’ Punt. Amen. Q.E.D. Klaar. God schiep de mensen naar zijn beeld. Naar wie zijn beeld? Naar God zijn beeld. Vertel me eens, ga jij dan het beeld van God tot jouw slaaf maken? Ben je helemaal gek geworden ofzo? Wat denk je dat die God daarvan vindt? Je denkt toch ook niet dat jij God kunt controleren? Dat jij de baas gaat zijn over wat Hij denkt en doet en voelt en vindt… Hoe haal je het in je hoofd om dan wel zo respectloos met zijn zonen en dochters om te gaan! En geen flauwekul. Álle mensen heeft God naar zijn beeld gemaakt, alle mensen zijn dochters en zonen van Hem. En als jij dan gaat zeggen: ‘Ja, alle mensen zijn gelijk, maar sommige mensen zijn meer gelijk dan andere mensen’ –  dan ga je bewust in tegen de Schepper, en weet je, dat moet je niet proberen.

We lezen verder in de Bijbel, hert tweede bijbelboek, [5] Exodus. ‘Laat mijn mensen gaan,’ zegt God in Exodus tegen de Farao over zijn volk, over Gods volk. En van Exodus af de hele Bijbel door geeft God voortdurend zijn visitekaartje af: ‘Ik ben de Heer, jullie God, die jullie uit Egypte, uit de slavernij, heeft bevrijd.’ En mocht je nu denken: ‘Ja, maar dat gaat alleen over Gods eigen volk, over Israël, dus alleen Joden of eventueel ook christenen mogen van God niet tot slaaf worden gemaakt’ – mis! In het grote verhaal is Israël evident het volk dat alle volken vertegenwoordigt en alles wat God voor elkaar krijgt in Israël, dat wil Hij ook voor heel de wereld. De Exodus geldt wereldwijd. Boeiend: er is een Engelse zogenaamde ‘Slavenbijbel’, een bijbeluitgave bedoeld voor tot slaaf gemaakte mensen in Noord-Amerika, waarin onder andere het boek Exodus er even uit was gelaten. Wel, als je zo de Bijbel aanpast, dan heb je zelf wel door waarom je deze censuur toepast. ‘Let my people go.’

Geen wonder dat als Jezus komt, dat dan de slavernij wereldwijd acuut wordt afgeschaft… Nee, toch niet. Christus heeft eerst onze dood moeten bestrijden; de bestrijding van ons verderf volgt later. Maar wanneer Paulus, die volgeling van Jezus die niet kon stoppen met denken,  in één regel moet samenvatten wat het betekent dat de wereld weer koninkrijk van God is geworden, dan zegt hij het volgende, Galaten 3: 28: [6] ‘Er zijn geen Joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen – u bent allen één in Jezus Christus.’ En ik stel me voor dat toen Paulus deze zin gedicteerd had, dat hij zelf als eerste zei: ‘O nee, schrap dat maar, dat moet ik een beetje genuanceerder brengen,’ maar dat de Heilige Geest toen ingreep en het Paulus gewoon zó liet opschrijven. ‘Maar Heer,’ zei Paulus toen tegen de Heilige Geest, ‘ik kan dat wel zeggen, maar ik overzie de consequenties niet.’ ‘Geeft niet,’ zei de Heilige Geest, ‘dat doe Ík wel. Wir schaffen das.’ ‘In Christus (niet: in Palestina of Nederland, maar: in Christus, dus overal waar Christus Heer is) zijn geen heidenen en Joden meer, vrouwen en mannen meer, geen vrijen en geen slaven meer. God lof, wij zijn geen slaven meer. De Bijbel is tegen slavernij.

III.

Maar helaas is stelling 2: de Bijbel gedoogt slavernij. [7] De Bijbel gedoogt slavernij. Gedogen, dat is iets anders dan goedkeuren. Want als de Bijbel slavernij ook zou goedkeuren, dan zou de Bijbel zichzelf tegenspreken. Maar als je iets gedoogt, dan zeg je wel dat iets fout is, maar dat je tegelijk je erbij neerlegt dat de wereld niet volmaakt is. Zoiets. En dat doet de Bijbel met slavernij. Of zoiets lijkt de Bijbel te doen met slavernij. Dat de Bijbel, zeg maar, een rem zet op excessen, maar met een paar richtlijnen over wat je wel en niet moet doen een soort hanteerbaar kader biedt.

Bijvoorbeeld in Israël. Binnen Israël geldt een verbod op het hebben van slaven uit Israël. Want een broer of zus van je, die kan je slaaf niet zijn. Geen familie tot slaaf maken [8].Dan sluit je maar een contract voor zeven jaar of maximaal vijftig, maar daarna is zij of hij weer vrij. Een andere regel is deze, uit Deuteronomium 23: ‘U mag een slaaf die bij u zijn toevlucht zoekt, niet uitleveren aan zijn meester.’ Hm, daar heeft Mozes duidelijk niet over de consequenties nagedacht, want dan gaat natuurlijk op den duur iedere slaaf in Israël asiel zoeken, beetje woke idealisme dat. Hoe dan ook, de Bijbel gedoogt slavernij, maar geeft wel kaders aan. Gebeurt ook in het Nieuwe Testament, na Jezus’ komst. Dat het een beetje christelijk moet  gaan. [9] Bij voorbeeld Efeziërs 6: 5: ‘Slaven gehoorzaam uw aardse meester zoals u Christus gehoorzaamt, met ontzag.’ Wel zegt Paulus daar erbij: ‘U weet dat zij en u dezelfde Heer in de hemel hebben, en dat Hij géén onderscheid maakt.’ Maar goed, wat de Heer niet doet, dat doet Paulus daar nog wel. Zoals ook in Kolossenzen 3: ‘Slaven, gehoorzaam uw aardse meesters in alles.’ Deze keer met de toevoeging: ‘Meesters, geef uw slaven waar ze recht op hebben en wat redelijk is.’ Kortom: gedogen, maar dan wel reguleren.

Nu worden er op dit moment in het gesprek over slavernij vaak verzachtende omstandigheden aangevoerd. Op dit moment in het gesprek: als je ziet dat de Bijbel in hoofdlijn tegen een kwaad als slavernij is, maar het in de praktijk lijkt te gedogen. Verzachtende omstandigheid nummer 1 is dan: het waren andere tijden. Kijk, als je dat zegt heb je natuurlijk gelijk. Het waren andere tijden… Iedereen vond slavernij toen normaal… Maar geloof me, met wat iedereen op een bepaald moment normaal vindt, redt je het niet als je zoekt naar wat goed is en fout. Wat ik snap is dat God ervoor gekozen heeft de wereld niet pats-boem te redden, maar in de loop van de geschiedenis. En dus is niet pats-boem bij Jezus’ komst alle ellende afgeschaft. Maar je kunt dan toch wel beginnen met zeggen: dit is goed en dat is fout? Of niet dan?

Een tweede verzachtende omstandigheid is deze: de redding door Christus is geestelijk en niet lichamelijk. Dus als je als slaaf ‘in Christus’ bent, dan ben je geestelijk vrij en alleen maar lichamelijk nog tot slaaf gemaakt. Maar ook dat vind ik iets te glad. Het aparte van de God van de Bijbel en van Jezus Christus is nu net dat Hij er zo op gebrand is om de boel bij elkaar te houden. Hij heeft ons als één geheel gemaakt: wat we denken en voelen en willen en doen en geloven vormt samen dat ene leven van ons. En deze God vindt dát leven, ook juist als eenheid, zo de moeite waard, dat Hij een van ons werd in Jezus de Heer. Ik snap ook wel dat God nog niet klaar is. Maar ik ga echt niet tegen Hem zeggen: ‘Heer, red alleen mijn ziel maar.’ Nee hoor, voeten, handen, hart en ziel: de hele riedel komt Hij redden. Dan kan ik toch niet van een deel van mij bestaan, zoals bij voorbeeld het hebben van slaven, zeggen: dat laten we buiten beschouwing? Ik vind de verzachtende omstandigheden niet echt overtuigend. En met dat gedogen zit ik ook nog steeds.

IV.

Het is hoog tijd voor [10] Filemon. Want ik denk dat Filemon laat zien dat Paulus God heeft begrepen. Namelijk dat God tegen slavernij is en dat nu Jezus Christus de Heer van de wereld is, de mensen die Christus volgen, niet langer slavenhouders kunnen zijn. Maar de vraag is dan: hoe gaan die volgelingen dat dan doen? Eerst even het plaatje, de situatie van Filemon. Filemon woonde in Kolosse, in Turkije. Filemon was christen geworden en Filemon was rijk. Of: rijk genoeg om een of meer slaven te hebben. Een van de slaven van Filemon was Onesimus en Onesimus is weggelopen. Nu denk jij: dat kan gebeuren, dat zou ik ook doen – maar je vergist je. Het waren andere tijden en op het weglopen van een slaaf stond maar een straf, de doodstraf. Gewoon, zodat duidelijk is dat je dat niet moet doen, weglopen. Zero tolerance.

Onesimus is naar Caesarea gevlucht. Of om mij naar een andere stad, maar naar de stad waar toen Paulus gevangen zat. Daar leren zij elkaar kennen en daar leert Onesimus de Heer Jezus kennen. En nu is het zover. Paulus stuurt Onesimus terug naar Filemon. Want Paulus kan en mag hem niet zonder uitleg bij zich houden. Dat zou een vorm van diefstal zijn en het koninkrijk van God maakt geen gebruik van geweld om door te dringen in de wereld, maar van liefde, niet van macht, maar van gedeeld verlangen, niet van onrecht maar van vernieuwd recht. En Paulus zet de hele persoonlijkheid die hij geworden is in Christus Jezus in om dit voor elkaar te krijgen. Lees maar even mee. [11] ‘Ik heb u geschreven in het volste vertrouwen dat u mijn verzoek zult inwilligen, ik weet dat u zelfs meer zult doen dan dat.’

Het gaat dus om een verzoek. Niet dat Paulus geen eisen zou kunnen stellen. Dat kan Hij wel. Hij is een apostel van de Heer. Hij is de geestelijke vader van Filemon. Hij heeft het recht uit te spreken wat de wil van God in een concrete situatie is. Maar de verandering die Paulus in beweging wil zetten gaat gegarandeerd vastlopen, wanneer die niet van binnen uit komt. Als Filemon niet zelf begrijpt wat God in liefde van hem verwacht, dan gaat het fout. Wat verwacht God dan van hem? Wat is het verzoek van Paulus? Dat Filemon Onesimus ontvangt als een broer. Een broer van hemzelf, van Filemon, een broer van Paulus en een broer van de Heer. En dat laat zich niet eisen. Ik kan niet van jou eisen: wees een vriend van mijn vriend. Want dan is het automatisch geen vriendschap meer, maar verplicht. Ik moet dat aan jou vragen: zie deze zus van mij als jouw zus. En jij moet uit jezelf die beweging maken. Anders blijft het een slavin, tegenover wie jij gedwongen wat aardiger bent. Dus een verzoek.

Paulus zégt dat hij dit verzoek doet ‘in het volste vertrouwen.’  Maar dat geloof ik niet. Ik geloof dat Paulus in dit briefje een meester is in dingen zeggen die hij niet zegt. Bij voorbeeld als Paulus zegt: ‘Ik, Paulus, schrijf hier eigenhandig neer dat ik u zal betalen’ – dan bedoelt hij: ‘Zover wil je het juist niet laten komen? Toch?’ En ook als Paulus straks afsluit met: ‘Maak voor mij een kamer in orde’ – dan zegt Paulus niet dat hij binnenkort langskomt, maar dan is dat een briefafsluiting waarmee Paulus Filemon eigenlijk vraagt: ‘Ik zie jou nog als een huisvriend; zie jij mij nog als een huisvriend? Ja toch, Filemon, mijn broer?’ Paulus heeft hier geen automatische zekerheid over wat Filemon gaat doen. Want Paulus vraagt zoveel. Hij vraagt Filemon om de eerste christen te zijn, de eerste mens te zijn in het koninkrijk van Jezus, die de wetten van dat koninkrijk toepast op de slavernij. Dus schrijft hij [‘]in het volste vertrouwen[’] – en geeft zich daarmee feitelijk over aan één mens, aan Filemon, op wie hij in liefde een beroep doet. En geeft daarmee de wens van God dat aan alle slavernij een einde komt, over aan de liefde van één mens, van Filemon, om vanuit zijn vernieuwde hart dit nieuwe begin te maken. Snapt Filemon het? Voelt hij het aan? Paulus aarzelt, maar de Geest zegt: ‘Schrijf het maar op.’ ‘Schrijf het maar op, Paulus: ‘Ik weet dat u zelfs meer zult doen dan dat.’ Een nieuw hart? Wij scheppen dat.’

V.

[12] Maar we weten niet wat Filemon heeft gedaan… Weet je, er is nog veel meer wat ik over dit briefje van Paulus zou kunnen zeggen. En ook: er kunnen ook zomaar dingen zijn die ik zus lees en een ander zo. Zat Paulus in Caesarea gevangen of in Efeze of Rome? Was Onesimus echt weggelopen, of alleen maar bij Paulus gekomen voor een goed woordje van Paulus bij Filemon? Heeft Paulus werkelijk begrepen wat zijn uitspraak in Galaten 3: 28 heeft betekent voor de slavernij? Heeft Paulus een ontwikkeling doorgemaakt? Er zitten nog wel wat open eindjes aan hoe ik deze brief van Paulus lees. Zoals dus ook het grote einde open is: wat zal Filemon doen? Is hij werkelijk vrij genoeg om het goede te doen? Kan híj zich bevrijden, van het slavenhouder zijn? Kan híj zich bevrijden van de slavernij? Kan hij vrij een volgeling van Christus zijn in de praktijk? Ik weet het niet.

Wat ik wel weet is dit. Ik heb vandaag een verzoek aan jullie. Het is een verzoek, want ik heb niks van jullie te eisen. Je snapt het wel. Maar ik denk dat dit vandaag is wat de Heer aan mij vraagt en dus (hm) heb ik het volste vertrouwen om het ook aan jou te vragen. Het kan zijn dat de Heer in de week die komt, of in de maand die komt, of wanneer Hij er ook maar zin in heeft – Hij is daarin vrij, moet je weten, dat Hij je in een situatie brengt, waarin jij opeens aan Filemon moet denken. Misschien een situatie waarin iemand jou lijkt te benadelen. Of een situatie die jou echt geld kan gaan kosten. Of een situatie waarin je weet: als ik inderdaad deze keuze maakt, dan gaan mijn vrienden mij uitlachen, want dit is zo not done; dan gaan mijn collega’s me verwijten maken, want als we zo gaan beginnen, wat gaan dan de consequenties zijn… Maar dat jij dan naast Filemon gaat staan en deze broer van je in de ogen kijkt en dat je dan tegen elkaar zegt: omwille van de liefde van de Heer, omwille van de broederschap van Jezus: laat de oude wereld barsten, ik kies ervoor om vrij en volgeling van Jezus te zijn in de praktijk. Ik ben niet langer een slaaf van angst; ik ben een kind van God. En eindelijk vrij. Ík. ‘Free at last.’

Amen.

Scroll naar boven