Votum en groet
Zingen: Lied 513: 1, 2, 3, 4 [God heeft het eerste woord]
Leefregels
Zingen: DNP Psalm 51: 3, 5 [Zuiver mijn hart, God, wis mijn fouten uit]
Gebed
Bijbellezing: Jesaja 60: 1-14
Zingen: Psalm 68: 8, 10, 11 [Geloofd zij God met diep ontzag]
Preek Jesaja 60: 10-11
Zingen: Op Toonhoogte 84: 1, 2, 3, 4 [In Bethlehems stal]
Belijdenis van het geloof
Gezang 177: 1, 2, 3, 4 [Heer, U bent mijn leven, de grond waarop ik sta]
Gebed
Collecte
Zingen: Lied 766: 1, 2, 3 [Ik zag een nieuwe hemel zich verheffen]
Zegen
Jesaja 60: 10-11 [1]
I
Het is vandaag 4 januari. Op 6 januari viert een groot deel van de kerk Driekoningen. [2] Driekoningen is het feest waarbij we in de kerk terugdenken aan het verhaal dat Matteüs vertelt in Matteüs 2. Het verhaal dat er een aantal (er staat in Matteüs niet bij het dat er drie waren) – een aantal mensen (en Matteüs zegt niet dat het koningen zijn) bij de pasgeboren Jezus op bezoek gaan om cadeaus te geven. En dit is hoe Matteüs dat vertelt: ‘Ze gingen het huis binnen en vonden het kind met Maria, zijn moeder. Ze wierpen zich in aanbidding voor het kind neer. Daarna openden ze hun kistjes met kostbaarheden en boden het geschenken aan: goud en wierook en mirre.’ Dat is wat de kerk herdenkt op 6 januari, Driekoningen. En met dat feest sluit de kerk het Kerstfeest af. Van nu af gaan we het verhaal verder volgen. Het verhaal van Jezus en van het koninkrijk van God. Het verhaal dat begint met Kerst en dat uitloopt op Pasen.
En eigenlijk wil ik jou vandaag vragen om maar bij die drie koningen aan te sluiten. Mijn vraag aan jou is vandaag heel simpel: wat draag jij bij aan het koninkrijk van God? [3] Wat draag jij bij aan het koninkrijk van God? En om jou en mij een beetje te helpen, maak ik van die ene best wel grote vraag drie (of eigenlijk vier) kleinere vragen. Wat draag jij bij aan het koninkrijk van God? [4] 1. Welke God? 2. Welk koninkrijk? 3. Wie, ik? En dan stel ik voor dat we onze antwoorden zoeken aan de hand van Jesaja 60 en dan met name vers 10 en 11. Dus de grote vraag vandaag: wat draag jij bij aan het koninkrijk van God? En de deelvragen: welke God? Welk koninkrijk? Wie, ik?
II
Welke God? In de kerk hebben we ontdekt, dat als je op zoek bent naar God, als je op zoek bent naar de God die het waard is om te dienen, dat je er dan goed aan doet om aansluiting te zoeken bij de geschiedenissen en de profeten en de liederen van Israël. Dus doe met me mee en luister mee naar wat Jesaja en zijn broers en zussen hebben ontdekt. Ik lees het voor, Jesaja 60: 10b: [5] ‘Ik (zegt God) heb je geslagen in mijn woede, in mijn mededogen zal Ik me over je ontfermen.’ Nou, dat is stevig. Ik kan het me haast voorstellen wanneer je nu afhaakt. Is dit de God die ik wil dienen? Maar voordat je afhaakt, blijf nog even luisteren. Want aan deze beschrijving van God, dat Hij boos kan zijn en dat Hij vol liefde is, daar zit een verhaal aan vast. [6] God kan boos zijn en Hij is vol liefde. Dit is niet een slip of the tongue van Jesaja. Het is een samenvatting van tweeduizend jaar nadenken.
God kan boos zijn en Hij is vol liefde. Die omschrijving van God kom je ook al eerder in de geschiedenis tegen in bij voorbeeld de wet van God. In het 2e gebod staat dit: [7] ‘Als ouders Mij haten en zondigen, roep Ik hun kinderen daarvoor ter verantwoording, tot in het derde en vierde geslacht; maar als ze Mij liefhebben en doen wat Ik hun gebied, bewijs Ik mijn trouw tot in het duizendste geslacht.’ God kan boos zijn en Hij is vol liefde. En dezelfde omschrijving vind je bij voorbeeld ook in een psalm, Psalm 103: 8-9: [8] ‘Liefdevol en genadig is de Heer, Hij blijft geduldig en groot is zijn trouw. Niet eindeloos blijft Hij twisten, niet eeuwig duurt zijn toorn.’ Zelfde beschrijving van God. God kán boos zijn en Hij ís vol liefde.
Maar als je dan goed kijkt is dit het bijzondere: als God dan eens boos is, is dat een terechte reáctie, [9] maar uit zichzelf ís God liefde. Als God boos is, is dat een terechte reactie, maar uit zichzelf is God liefde. Dat is het wat Israël van God had mogen ontdekken. God ís niet woede. Nee, God kán boos zijn. Maar God ís liefde. Als God boos is, dan heeft Hij daar een reden voor. Maar als Hij liefdevol is, dan hoeft Hij daar geen reden voor te hebben. Want dat is wie Hij is, wat Hij wil zijn. Daar kun je op rekenen.
[10] In de tijd van Jesaja zijn mensen een beetje bang dat ze dat kwijt zijn. Dat ze God kwijt zijn. Zijn liefde. Want in de tijd van Jesaja was de ballingschap geweest. Dat de helft van de bevolking door de koning van Babel was ontvoerd. En en passant had die de tempel leeggeroofd, de offerplekken verwoest en de gouden en zilveren kostbaarheden mee gejat. Maar Israël had ontdekt: dit is omdat God boos is – en daar heeft God een reden voor. Wij waren verkeerd bezig. God reageerde op ons, om ons te corrigeren. Terecht. Maar… God kan boos zijn – maar Hij is toch goed op ons? Hij is toch vol liefde? Vertel ons Jesaja, wie is onze God? En Jesaja mag het zeggen: deze God is onze God. Welke God? De God die kán boos zijn, maar die ís vol liefde. ‘Ik heb je geslagen in mijn woede, in mijn mededogen zal Ik me over je ontfermen.’ Welke God? Deze God.
En dan nu even met dit deelantwoord terug naar de grote vraag. De grote vraag: wat draag jij bij aan het koninkrijk van God? Deelvraag: welke God? Deelantwoord: de God die boos kan zijn, maar die liefde is. Kijk, Hij is dus een God die je niet moet proberen om te kopen! Luister: als je iets stoms doet kan Hij boos op je zijn. Maar denk niet dat je Hem dan moet omkopen. [11] Met lief zijn ofzo. Of met een bijdrage leveren aan zijn koninkrijk. Of offers brengen ofzo. Je hoeft Hem niet om te kopen. Hij is al goed. Hij is al liefdevol. Ook naar jou toe. Ja, Hij kan reden hebben om boos te zijn op hoe het gaat in de wereld. Op wat jij en ik ervan bakken. Maar Hij is en blijft in zichzelf de God vol liefde. Dat kún je niet verdienen, dat hóef je niet verdienen. Dat kún je niet uitonderhandelen, dat hóef je niet uitonderhandelen. Hij wil het gewoon goed hebben met jou. [12] Blij zijn met jou, met jóu en mét jou. Die God dus.
III
[13] En welk koninkrijk dan? Nou, da’s simpel. [14] Zie Salomo. Zie Salomo. Da’s nou een voorbeeld van een koninkrijk zoals God ze wil hebben. Grotendeels dan toch. Op de een of andere manier is dat koninkrijk, eerst van David, toen van Salomo, een soort van gouden standaard van wat God voor ogen heeft. Zoals het toen even in Israël geweest is, daar kun je zo ongeveer Gods ideaal aan aflezen, maar dan voor de hele wereld en voor altijd. En kijk, als Jesaja dan, wanneer dat oude koninkrijk van David en Salomo helemaal verwoest en leeggeroofd is, als Jesaja dan van God mag dromen van herstel, drie keer raden wáár Jesaja dan van mag dromen. Precies. Van het koninkrijk zoals het was bij Salomo – [15] maar dan beter. Kijk maar even mee, Jesaja 60.
Als Jesaja een droom krijgt van het vernieuwde Jeruzalem, dan zitten daar allemaal Salomo-herinneringen aan vast. Bij voorbeeld vers 1: [16] ‘Over jouw schijnt de Heer, zijn luister is boven jou zichtbaar.’ Geloof me: dat is een verwijzing naar het openingsfeest van de goede oude tempel – van Salomo. Vers 5b: [17] ‘De schatten van de zee zullen je toevallen, de rijkdom van vreemde volken valt je in de schoot.’ Opnieuw, geloof me: dat verwijst naar de handel en rijkdom van het koninkrijk van Salomo. Vers 6b: [18] ‘Uit Seba komen ze in groten getale, beladen met wierook en goud.’ Nou die weet je zelf ook wel: de koningin van Seba, die Salomo komt eren. En die rammen die als offer op Gods altaar worden aanvaard, in een herstelde tempel – wie z’n tempel? Jawel, van Salomo. Kortom, welk koninkrijk? [19] Dat van Salomo, maar dan meer dan dat.
Dit mag dus van God. Dat als wij proberen met Hem mee te dromen van een goede wereld, dat Hij ons dan uitnodigt terug te denken aan het koninkrijk van Salomo, maar dan meer dan dat. Jij en ik, wij weten niet hoe de hemel er uit ziet. Of de eeuwigheid. Veel mensen hebben daar veel ideeën over. Maar kennelijk is dit wat je mag denken van God. Zo mooi als het was onder Salomo, niet alle dingen, niet de foute dingen, maar de dingen waarvan we samen zeggen: kijk, wat goed! Kijk, wat mooi! Kijk daar, wat een vakmanschap! Kijk daar, wat een kunst! Kijk dan, die vrede, [20] die vreugde, dat recht! Als jou wordt gevraagd om een bijdrage aan het koninkrijk van God, dan is dit kennelijk de richting waarin je je bijdrage zoeken moet: alles wat overeenkomt met het goede van het koninkrijk van Salomo.
En dat is niet omdat ik dat verzin. Dat is omdat profeten zo mogen dromen van God. Sterker, dat is omdat God dit aan profeten openbaart. Dat ideaal van het koninkrijk van Salomo, maar dan meer, dat vind je niet alleen bij Jesaja, maar letterlijk ook in het slot van de bijbel, Openbaring 21, woorden die helemaal rijmen op die van Jesaja: [21] ‘De stad (het nieuwe Jeruzalem) heeft het licht van de zon en de maan niet nodig: over haar schijnt Gods luister, en het lam is haar licht. De volken zullen in haar licht leven en de koningen op aarde brengen daar hun eerbewijzen. De poorten zullen overdag nooit gesloten worden, en nacht zal het er niet meer zijn. De volken zullen er al hun eerbewijzen komen brengen.’ Welk koninkrijk? [22] Zoals God liet zien onder Salomo, maar dan meer – en dan nog meer!
En nu zal ik je vertellen dat je in dát traject, van het herstellen van het koninkrijk van Salomo, maar dan beter, dat je in dát traject Driekoningen moet plaatsen. [23] Die droom van Jesaja, dat God weer een koninkrijk zou bouwen zoals dat van Salomo, maar dan meer, maar dan beter – op het moment dat Mattheüs beschrijft dat magiërs uit het oosten met goud, wierook en mirre de grote Zoon van David komen aanbidden, wil Matteüs dat jij je die droom van Jesaja herinnert. Niet alsof je dan en daar de ultieme vervulling van deze profetie ziet, ofzo. Echt niet. Maar omdat Matteüs, en ik denk ook, God zelf, wil dat je begrijpt: dat beloofde herstel van Gods koninkrijk, die beloofde vergroting, intensivering, ultieme overwinning van dat rijk, die begint hier, kijk maar, waar drie koningen de Heer van hemel en aarde aanbidden in een kind. Het ultieme koninkrijk van God, zoveel meer, zoveel beter, zoveel mooier dan dat van David en Salomo, het is op dit moment niet groter dan de vierkante meter waar de kribbe op staat. Belachelijk klein. Maar hier begint het. Hier gaan we aanbidden. En je ziet het pas als je het snapt. Hier is het koninkrijk van God.
IV
[24] Wat draag jij bij aan het koninkrijk van God? Luister, het gaat om de God die pure liefde is. Het gaat echt niet om een God die je kunt omkopen ofzo, mocht je je afvragen om het rijk van welke God het gaat. Vervolgens, het gaat om een koninkrijk van vrede, van vreugde, van recht, van schoonheid, van alles, daaraan word jij gevraagd bij te dragen. Maar dan blijft misschien de vraag: [25] wie, ik? En het antwoord is: ja jij! En om dat antwoord toe te lichten begin ik weer even bij Jesaja 60: 10-11. Want daar worden jij en ik ook genoemd. Kijk maar: [26] ‘vreemdelingen zullen je muren herbouwen, hun koningen staan je ter beschikking.’
Binnen Jesaja is dit het plaatje. Ooit kwamen de vijandige vreemdelingen op Jeruzalem af. Ze hebben de muren van de stad verwoest, de poorten gesloopt, het goud van de tempel weg geroofd en de mensen daar tot slaaf gemaakt. Maar Jesaja ziet dat God de wereld om gaat keren. In plaats van te slopen, zullen de vreemdelingen de muren herbouwen, in plaats van Gods rijkdom te stelen, komen koningen hun rijkdom aan God aanbieden en in plaats van tot slaaf te maken, komen de heersers van de aarde hier de Heer van hemel en aarde dienen. Luister, ik zeg niet dat jij een van die koningen bent. Maar een van hun onderdanen ben je wel. Een vreemdeling, die net zo goed bij God mag horen als de eigen kinderen van Abraham.
En let wel even op, alsjeblieft. Dat werk van die vreemdelingen, dat dienen van die koningen en dat aanbieden van hun schatten aan God – dat is niet dat ze God komen omkopen. Dat kan immers niet, Hij is niet omkoopbaar. Bovendien: alles is al van Hem en wat jij komt brengen is niet van jou. Geen handel hier, geen omkoping en geen transactie. Het is hier ook niet dat God ze verslagen heeft, dat God ze/ons tot slaven maakt. Nee, het gaat hier om mensen en koningen die vrijwillig, uit liefde, aanbiddend hun bijdrage komen brengen. Dus als jij jezelf hiertussen mag zien staan, dan ook op die manier, die past bij de God aan wie zijn rijk jij bijdraagt: [27] vrijwillig, uit liefde, aanbiddend.
En dan nog. Het gaat God niet om wat jij hebt. Natuurlijk vindt Hij het mooi als jij… leidinggevende capaciteiten hebt, of goed kunt voetballen, of muziek maken, of dat jij zo goed dingen kunt repareren, of gewoon goed met mensen bent of noem maar op… Dat wil zeggen… ik denk dat God dat allemaal mooi vindt, als ik God een beetje goed begrepen hebt. Maar natuurlijk gaat het God er niet om dat Hij van jou krijgt wat jij hebt, of wat jij zeg maar waard bent. Het gaat God natuurlijk om jou! Wat draag jij bij aan het koninkrijk van God? Wie, ik? [28] Ja, jij! Goud en schatten en kwaliteiten? Allemaal bijkomstig. God wil jou. Hij wil geen handel. Hij wil jou! Hij wil vrede, vreugde, geluk en recht – en dat dan allemaal met elkaar delen.
V
Nog één ding. Namelijk: [29] wat nu? Ik hoop dat je snapt dat God een God is die het om jou gaat, om wie jij bent, iemand van wie Hij kan houden en die van Hem kan houden. Ik hoop dat je snapt dat Hij je vraagt iets bij te dragen aan zijn ideale wereld van vrede en vreugde, dat Hij dan vraagt om jezelf aan Hem te geven, Hem te aanbidden, met Hem te leven. Maar wees eerlijk, dan kun je nog steeds duizend en een manieren verzinnen om dat te doen. Maar waar begin je dan? Wat nu?
Ik wil je voorstellen om te beginnen met jezelf als bijdrage aan God te geven op de enige plek waarvan ik voor honderd procent zeker weet dat daar het koninkrijk van God is. En nee, dat was niet het rijk van Salomo, want zelfs aan dat fantastische rijk mankeerde nog wel het een en ander. En nee, ook van de tempel van Salomo of van later kan ik je niet garanderen dat daar voor honderd procent het koninkrijk van God te vinden is. De enige plaats waarvan ik voor honderd procent zeker weet, dáár vind je het koninkrijk van God, is de vierkante decimeter op Golgotha, waar zijn kruis stond. De troon van het Lam. Dat is waar Hij zelf zei: nu maak Ik alle dingen nieuw. En Hij wist wat een rotklus dat ging zijn. Maar daar is het begonnen. Daar is Hij zijn rijk begonnen.
Dus nodig ik je uit om in de komende tijd met de kerk mee te gaan, [30] van Kerst naar Pasen, van de kribbe in Bethlehem, via het kruis op Golgotha, naar het lege graf in Jeruzalem. Want dat is hoe de God die alleen boos is uit reactie, maar die zelf liefde is, dat is hoe Hij weer koning werd. En als ik dan inderdaad de uitnodiging voel om mezelf aan Hem te geven, dan hoef ik maar een ding te doen. [31] Jezus volgen. Hem zien en bekijken en ontdekken. Van Hem leren, gaandeweg, als zijn volgeling, hoe het in zijn wereld werkt. Wat draag ik bij aan het koninkrijk van God? Heer, mijn offer voor u, voorbij mijn goud en wierook en mirre, voorbij mijn talenten en bezit, ben ik; aanvaard mij en maak mij deel van uw nieuwe wereld, uw koninkrijk.
Amen.